Maaike Meijer, Vasalis

 Maaike Meijer, Vasalis, 25-26. Karel Creutzberg studeerde Indische recht en werd vicepreseident van de Raad van Indië; zijn broer Puck kinderarts in Genève en Batavia. Meijer, Vasalis, 45-46. Meer nog dan H.A. Leenmans kwam Louise Creutzberg uit een oud en oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige familie van predikanten: haar vader: L.H.F. Creutzberg [1830-1893]; H.W. Creutzberg [1875-1940, Duinoordkerk, Den Haag]; K.F Creutzberg: Arnhem van 1870-1911, zijn zoon J.J. Creutzberg was predikant in Nijmegen en zijn zoon K.F. Creutzberg [1908 - 1942] was legerpredikant en werd in Indië door de Jappen gefusilleerd. De tweede vrouw van L.H.F. Creutzberg is mogelijk familie van ds E.E. Gewin [1843-1909] die in Utrecht predikant was en de nog heel jonge K.H. Miskotte catechisatie gaf [Dagboeken, 1917-1930, 1985, p15, 477, 533, 587.

Overgrootvader Lodewijk Creutzberg

Lodewijk Hendrik Frederik Creutzberg

Creutzberg (Lodewijk Hendrik Frederik)  aanschouwde het levenslicht in 1830 te Horssen, en werd, na afgelegd admissie examen, op 11 Septemher 1848 ingeschreven als student in de godgeleerdheid aan de universiteit te Utrecht. Begon als candidaat tot den heiligen dienst bij het provinciaal kerkbestuur van Overijsel in 1853, was hij achtereenvolgens predikant te Oosterland (Zeeland) van 15 Januari 1854-1859, daarna te Zeist 1859-1876, Woudenberg (ber. 30 Dec. 1875, afsch. te Zeist 27 Febr. 1876. Intree 5 Maart met 1 Cor. II:2). Hij werd eervol ontslagen wegens zijn benoeming tot directeur der inrichtingen voor ziekenverpleging te Rotterdam en preekte bij zijn afscheid op 10 Mei 1885 met Efeze III:14-21. In 1890 legde hij genoemde betrekking neer om weer predikant te worden, en op 20 april van laatstgenoemd jaar zien we hem optreden te Hoogland, alwaar hij op 29s. April 1893 is overleden.

Hij vertaalde met zijn broeder K.F. Creutzberg: J. Nissens'sUnterredungen über die biblischen Geschichten, onder den titel:Practische handleiding bij het onderwijs in de bijbelsche geschiedenis voor scholen en huisgezinnen. Vrij bewerkt. O.T. en N.T. Uitgegeven te Nijkerk. 1862-1863. Een nieuwe druk zag aldaar het licht van 1871-1873.

Eén heer, één geloof. Twaalftal leerredenen door H.J.R.G. Theesing .... L.H.F. Creutzberg .... Amst. 1867.

L.H.F. Creutzberg en J.J. Richard Jr. Bevestigings- en intree-rede.Uitgegeven ten voordeele van de diaconie der Nederl. Herv. gemeente te Breda (Breda 1868). (Deze beide preeken werden uitgesproken te Breda den 16den Augs. 1868, toen Ds. L.H.F. Creutzberg, met Johs. 3:30, zijn vriend J.J. Richard bevestigde. Deze hield zijn intree-rede over 1 Kor. III:9a).

Van links naar rechts: Frieda Creutzberg, Karel Frederik Creutzberg, Anna Maria Creutzberg-Gewin,Hans Crteutzberg, Helena Creutzberg-Rijk, onbekend, Puck Creutzberg.

Een plaatje uit 1917.

Raad van Indië. Gouverneur Generaal Fock met uiterst links grootvader Karel Frederik Creutzberg.

1797-5184-1-PB

Mr. K. F. CREUTZBERG
Beschouwingen over de staatsrechtelijke toekomst van
Nederlandsch-Indië

Grootvader Karel Frederik

Mr. K.F. Creutzberg

foto Mr. K.F. Creutzbergvergrootglasin de periode 1924-1929: vicepresident Raad van Nederlands-Indië 

voornamen

Karel Frederik

personalia

geboorteplaats en -datum
Woudenberg, 18 december 1879

overlijdensplaats en -datum
Genève, 22 oktober 1933

hoofdfuncties en beroepen

  • hoofdcommissie Algemene Secretarie te Buitenzorg (Ned.-Indië), 1909
  • leraar en adjunct-directeur School voor Indische rechtskundigen, van 1909 tot januari 1912
  • ambtenaar departement van Onderwijs en Eredienst te Batavia (Ned.-Indië), van januari 1912 tot november 1914
  • secretaris departement van Onderwijs en Eredienst te Batavia (Ned.-Indië), van november 1914 tot september 1917
  • verlof in Nederland, 1916
  • waarnemend directeur departement van Onderwijs en Eredienst te Batavia (Ned.-Indië), van maart 1917 tot september 1917
  • directeur departement van Onderwijs en Eredienst te Batavia (Ned.-Indië), van september 1917 tot november 1923
  • verlof in Nederland, 1922
  • lid Raad van Nederlandsch-Indië, van november 1923 tot 1 november 1924
  • vicepresident Raad van Nederlandsch-Indië, van 1 november 1924 tot 1 november 1929

wetenswaardigheden

uit de privésfeer
Zijn vader was predikant

ridderorden

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 30 augustus 1921
  • Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau, 26 september 1929

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Utrecht, 12 maart 1904
echtgeno(o)t(e)/partner
H.M. Rijk, Helena Margarieta

kinderen
3 zonen, 1 dochter

vader
L.H.F. Creutzberg, Lodewijk Hendrik Frederik
geboorteplaats en/of -datum
Horssen (Gld.), 19 september 1830

moeder
A.M. Gewin, Anna Maria (tweede echtgenote van vader)
geboorteplaats en/of -datum
Oosterland (Zld.), 14 december 1844

De bezigheden van oom Frans en tante Mien de Munnik-Creutzberg

De Haagse opvang van zeebaboes

Naarmate meer families op en neer reisden tussen Nederland en Nederlands-Indië, werden ook steeds meer bedienden meegenomen. Het begrip ‘zeebaboe’ deed zijn intrede voor de Indonesische vrouwen die meereisden om het – vooral blanke – grut onderweg te verzorgen. Na hun aankomst in Nederland was niets voor hen geregeld en hadden zij geen onderdak, – reden voor de vereniging Oost en West om in 1918 tot de oprichting te komen van “Persinggahan”, het tehuis voor Nederlands-Indische bedienden aan de Van Boetzelaerlaan 2 te Den Haag. De leiding werd toevertrouwd aan de Indië-zendeling F. de Munnik en zijn echtgenote W. S. C. de Munnik- Creutzberg.

“Persinggahan”, 1919

Uit het Geïllustreerd weekblad voor Nederland en Koloniën, 12 januari 1921:

Vraag: Is het toezicht op 2 kinderen (1 en 3 jaar) aan boord Ie klasse, bij mogelijke zeeziekte der ouders voldoende, om de reis zonder zeebaboe te ondernemen? De moeder is niet gewend de verzorging, aan anderen over te laten en zal dus alleen bij ongesteldheid hulp noodig hebben. J. R. B. te R.
Antwoord: Het toezicht aan boord op kleine kindertjes is onvoldoende. Er is slechts één linnenjuffrouw, die enigszins toezicht houdt bij haar andere werk. Men moet er zelve op passen, ingeval van zeeziekte de kleintjes in de hut bij zich houden of in een kleine babybox aan dek. Een zeebaboe is tamelijk duur, doch wel te bekomen in “Persingahan”. Wend U voor dat doel tot den Directeur, den heer F. de Munnik. Telef. Scheveningen 248.”   

In sarong en baadje

Uit het Bataviaasch Dagblad van 29 januari 1939 blijkt dat het tehuis tot dusverre aan zijn verwachtingen voldeed. Onder de titel Baboe’s wachten in Den Haag – Een kijkje in het tehuis „Persinggahan”:

“„Ja mevrouw, ik heb een uitstekende baboe voor u. Nee, mevrouw, ik heb hier wel een Sitih, maar die u bedoelt, uit Soerabaia, die is er niet. Maar neemt u Mirah, Mirah Opor, dat is een heel goede baboe. Komt u dan zelf even kijken, bijvoorbeeld vrijdag”. Die vrijdag komt dan de deftige Hollandse mevrouw naar het Tehuis en Adviesbureau voor Nederlands-Indische bedienden „Persinggahan” te Den Haag, en zoekt een baboe uit. Meestal zal dat een mevrouw zijn, die na een verlof weer naar Indië gaat en nu een zeebaboe zoekt. Een zeebaboe vaart heen en weer tussen Indië en Holland. Zij verzorgt de kinderen en helpt mevrouw op de reis. En als zij in Rotterdam of Amsterdam aankomt wordt zij afgedankt en moet zij zelf maar zien hoe ze weer aan werk komt. Dan gaat baboe naar „Persinggahan”, een vriendelijke woning aan de Van Boetzelaerlaan te Den Haag, die er op berekend is, ongeveer dertig baboes te herbergen, en waar de directrice regeert en de arbeidsbeurs voor Inlandsch personeel beheert. (de heer De Munnik was in 1938 overleden, de leiding was nu in handen van mevrouw De Munnik-Creutzberg – JP)

“Persinggahan”, interieur

Zo zitten daar, in de grote kamer, uitziende over het Scheveningse Ververschingskanaal, dertig baboes in sarong en baadje. Zij praten geanimeerd, zij haken en breien, zij spelen grammofoon, zij schrijven brieven, zij lachen en hebben genoeglijke pret onder elkaar. Allemaal moeten zij hier een paar weken wachten. Wachten tot zij weer terug kunnen gaan naar Indië. Er is veel vraag naar zeebaboes. En dus gaan de meesten weer terug met de boot waarmee zij gekomen zijn. Er is dus een groot verloop onder Persinggahan’s bevolking. Bij elke boot die vertrekt slinkt zij met vier, zes, soms tien zielen; na elke aankomst neemt zij met een dergelijk getal toe.

Vroeger, twintig jaar geleden, toen bestond dit nog niet. Nederlandsch-Indische bedienden hadden geen tehuis, waren daardoor uitsluitend aangewezen op de familie, met wie zij uit Indië kwamen, of moesten, als zij het daar niet uithielden, zwerven. Een liefdadige Haagsche vrouw, die hun een goed hart toedroeg, nam hen toen wel liefderijk in haar huis op, zorgde wel eens voor werk voor hen, kortom deed spontaan waarvoor later het bureau gesticht werd. Er was dan ook dringend behoefte aan. Eerst was er sprake van, dat het departement van koloniën er voor zou zorgen. Maar tenslotte werd het werk ter hand genomen door de vereeniging Oost en West, met financiëlen steun van Koloniën.

Nu is er voor het Inlandsche personeel al meer gelegenheid ook buiten het tehuis een onderkomen te vinden. Javanen zijn b.v. in Den Haag getrouwd en exploiteren voor hun landgenoten pensions. Maar een „veilige haven” blijft het tehuis steeds. Want nog steeds komt het wel voor, dat baboes slecht behandeld worden. Dan is het de taak van het adviesbureau, om de familie, waar baboe werkt, te waarschuwen, en bij geen verbetering het baboe mogelijk te maken, uit haar betrekking te gaan. Dat alles wordt energiek en menschlievend geregeld door de directrice van het bureau, mevrouw W.S.C. de Munnik- Creutzberg, die in de negentien jaar van het bestaan der instelling het beheer gehad heeft.

Niet alleen voor het reizende personeel, niet slechts voor de zeebaboes, is dit een tehuis. Ook de baboe, die als dienstmeisje bij een uit Indië gekomen familie blijft werken, vindt hier een milieu, waar zij haar vrije avonden kan doorbrengen, en waar zij steeds haar kopje thee kan drinken. En dat komt ook veel voor. Steeds meer Inlands personeel wordt er gezocht; niet omdat dat veel goedkoper zou zijn. Ook een baboe krijgt ongeveer vijfentwintig gulden. Maar veel mensen prefereren de nauw merkbare en toch uitvoerige zorgen van een baboe. Dat geldt ook voor de „Totoks”, dat zijn zij, die nog nimmer naar Indië kwamen. De Hollandse dienstbodennood zal aan dit verschijnsel niet vreemd zijn.

Nederlandse vrouw met baboe en kind, in Den Haag

Nederlandse vrouw met baboe en kind, Den Haag

En zo is dit huis een werkelijk centrum voor het Indische personeel in Den Haag en in Holland. Hier komen ze met hun zorgen en met hun kleine vreugden. Hier kunnen ze onder elkaar praten en, als daar gelegenheid toe is, feestvieren. Hier kunnen ze hun vermogenspositie regelen en hun klachten uiten. Hier is hun tehuis en hun spaarbank. Want bij de directrice kunnen zij hun verdiende geld in bewaring geven en zo sparen op een boekje. Eén is er bijvoorbeeld, die geregeld spaart en flink ook. Elke maand komt er vijf of tien gulden op het boekje, en dat wordt straks een mooi bedrag, waar thuis iets mee te beginnen is. Een ander, die al een flink tegoed had, heeft twee reizen geleden een erf en huis voor het eigen gespaarde geld gekocht. De vorige reis kocht zij een karbouw en nu heeft zij een put laten maken. Zij heeft haar grootvader op haar bezitting gezet om die te beheeren, en als baboe straks te oud is, om nog te varen of baboe te zijn, dan heeft zij wat voor haar oude dag.

Toch is het tegenwoordig niet meer, wat het vroeger was. Toen betaalde de mevrouw voor een overtocht honderdvijfentwintig gulden. En nu nog maar ongeveer vijfentwintig gulden handgeld van te voren en twintig gulden achteraf. Soms betalen de Hollandse dames wel meer aan de verhuurkantoren in Indië. Maar die houden een zeer groot percentage af, zodat de baboe maar weinig in handen krijgt. En van dat geld moeten ze in den wachttijd hun pension betalen. Al is het niet veel, het is toch nog altijd vijfenzeventig cent par dag. Gelukkig behoeven ze nooit lang op werk te wachten. Doch zijn zij werkloos of ziek, dan betalen ze niets. Later, hoeveel later doet er niet toe, betalen ze die schuld zonder mankeeren af. Daar behoeft nooit angst voor te bestaan.

Het is gezellig in de groote ruimte vol bewegelijke Javaanse vrouwen. Allen hebben het hoogste woord. En als ik vragen stel, aldus H. B. Fortuin in de Groene Amsterdammer, krijg ik een enthousiast antwoord. Zeebaboe is een prettig vak, vindt Mirah Opor, de dikke Mirah, die zulke mooie verhaaltjes kan vertellen en die een meesteres is in het zoethouden van kinderen. Daarom is Mirah nooit zonder reis. ledereen wil haar graag hebben. Maar Mirah is ook tevreden, als zij in „Persinggahan” kan wachten. Zij komt al heel wat jaren naar Holland, al in de mobilisatie. Toen kostte een banaan vijfentwintig cent. Daar je in Indië een hele klapperboom voor, vertelt Mirah lachend. Toen was ze twee-en-een-half jaar hier, vandaar dat ze perfect Hollands spreekt. Op het Hollandse klimaat is niets te zeggen, vindt Mirah. Die sneeuw en ijs vond zij, en al haar vriendinnen, prachtig. Ze konden maar niet vaak genoeg uitgaan; en aldoor wilden ze wel blijven kijken naar het „witte zand”.

Er heerst dus een prettige stemming aan de Van Boetzelaerlaan. Al is het huis niet luxueus en voor dertig mensen niet te groot, het is alles schoon en comfortabel. En het is een tehuis, waar zelf gekookt mag worden, waar ieder mag uitgaan of thuiskomen wanneer hij wil (mits vóór tien uur), waar altijd kennissen zijn om mee te babbelen, waar de grammofoon de vreselijkste Hollandse deunen draait. Maar waar ook de gamelen gehoord wordt, op de nationale feesten, bij het Indische nieuwjaar aan het einde van de vasten. Dan leggen ze, mannen en vrouwen — want het is ook een tehuis voor djongos, altijd maar heel weinig zijn — dan leggen ze geld bij elkaar, er wordt versierd en dan wordt er feestgevierd twee, drie dagen achter elkaar, tot diep in de nacht. Zo is daar een stukje Indië aan een brede laan in Den Haag.”

De oorlog nadert

“Toch is het tegenwoordig niet meer, wat het vroeger was”, schreef het Bataviaasch Nieuwsblad over het leven van de baboes. Nog in datzelfde jaar 1939 berichtte De Indische Courant van hun financiële problemen:

Van Boetzelaerlaan 2, Den Haag (2008)

Van Boetzelaerlaan 2, Den Haag (2008)

“Actie om loonsverhoging: Ook de zeebaboe’s hebben hun actie voor positie-verbetering gevoerd, en met succes. Zij hebben wel niet een vereniging in optima forma gesticht, maar staken de koppen toch bij elkaar en het gevolg van hun gezamenlijk beraad was dat op de Gemeentelijke Arbeidsbeurs te Batavia een bespreking werd gevoerd over loonsverhooging. Baboe Harminta, die al meer dan veertig dienstreizen achter den rug heeft, trad als voorzitster op; zij is geboortig uit Soerabaia, maar woont te Batavia. In totaal waren er ruim tien baboes, die zich onder haar leiding hadden gesteld. De Mina’s en Sarina, of hoe ze verder heten mogen, bleken op het punt van hun verlangens zeer eensgezind. De presidente toonde zich trouwens zeer goed op de hoogte van de huidige omstandigheden wat het reizen naar en van Nederland betreft.
Een zeebaboe ontvangt als regel een handgeld van ƒ 30.— vooruit en na afloop van de reis nog ƒ 20. Nu is door de oorlogstoestand de duur van het verblijf in Nederland zeer onzeker geworden. Er valt niet te zeggen, wanneer er weer een boot, mailboot of vrachtboot naar Indië vertrekt. Wel is er in Den Haag, aan de Van Boetzelaerslaan, een Tehuis voor Inheems personeel, waar de baboe’s tegen zeer matige prijs onderdak kunnen krijgen, maar hun loon is niet op een verblijf van onzekere duur berekend. Daarbij komt, dat de meeste baboe’s niet met de families meegaan, als deze voor de overlandreis in Genua of Marseille afstappen; zij reizen met de boot verder, naar Amsterdam of Rotterdam. Daarbij is nu gekomen het risico van aanhouding van het schip in een Engelse haven, dat wordt door de scheepvaartmaatschappijen als het verblijf in een noodhaven beschouwd, zodat daarvoor niet geldt de bepaling, dat de baboe’s gratis medereizen. Intusschen zijn de scheepvaartmaatschappijen zeer coulant, wat betreft de kostenberekening voor het verblijf in een noodhaven. Maar de zeebaboes verliezen ook daardoor tijd zonder verdiensten te hebben.
Kort en goed, de Gemeentelijke Arbeidsbeurs heeft de bezwaren der zeebaboes erkend en besloten werd hun tarief te brengen op ƒ 50 handgeld en ƒ 25 uit te keren bij ontslag in Nederland. Waarmede de vergadering der zeebaboes accoord ging.”

Dat was 3 november 1939. Ongeveer tegelijkertijd verordonneerde de Britten dat er geen schip meer doorheen kwam. Wat met de laatste vooroorlogse zeebaboes gebeurd is, is niet bekend. Als de schepen niet meer doorvoeren naar Nederland waren de baboes verplicht in Genua of Marseille aan land te gaan en verder te reizen met het gezin waarvoor zij werkten, per trein. Het treinkaartje diende in dat geval extra te worden betaald. Hoeveel zeebaboes nadien, maar voor 10 mei 1945, naar Nederland zijn gereisd en van de nieuwe regeling gebruik hebben kunen maken, we weten het niet. Veel zullen het er niet geweest zijn. Het tehuis, tenslotte, werd in 1948 gesloten. Het beroep zeebaboe bestond niet meer.

 

Oom Piet Creutzberg krijgsgevangen Indonesië 1942

Registratiekaart krijgsgevangene 1942.

Freek Creutzberg en het Friese front

Voorwoord In 1991 verscheen, op iniatief en met financiële steun van de NAM en Mobil, het Nederlandstalig NIOZ-Rapport 'De Ecologie van het Friese Front'. Daarin was de toenmalige informatie over dit Friese Front gebundeld in een tiental hoofdstukken van diverse auteurs, allen werkzaam op het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). In de inleiding van dat rapport werd toen aangegeven dat men de naam 'Friese Front' niet tegenkwam op zeekaarten en in literatuur over de Noordzee aangezien die benaming pas in 1985 bedacht werd door Nederlandse en Duitse oceanografen om het zomerse getij front ten noorden van de Waddeneilanden aan te geven, in analogie van bijvoorbeeld het Flamborough Front aan de Engelse oostkust. In de loop van de afgelopen jaren is de naam 'Friese Front' echter allengs bekender geworden, zeker in het onderzoek en beleid van de Noordzee. En in de oorspronkelijke betekenis van waterfront, met een wisselende positie, is het nu bijvoorbeeld in de Noordzee-atlas (ICONA, 1992, kaart 14) terug te vinden. Maar bioloog Freek Creutzberg en zijn medewerkers van de toenmalige NIOZ-afdeling Autoecologie gebruikten die naam Friese Front heel specifiek voor een geografische locatie: de rijke bodemzone op de overgang van de zandige, circa 25 m diepe Noordzee ten westen van onze Waddeneilanden, naar de slibrijke, 50 m diepe Oestergronden meer noordwaarts. Alhoewel de positie van het zomerse getijfront vaak samenvalt met deze rijke bodemzone, bestond er, althans onder de NIOZ-biologen, een sterke voorkeur om de naam te reserveren voor die in de jaren zeventig jaren ontdekte bodemzone, temeer omdat dit markante fenomeen het hele jaar door aanwezig is op een vaste locatie. In het laatste hoofdstuk van dat NIOZ-Rapport uit 1991 schreef ik indertijd: 'De naam Friese Front dient daarom vooral gekoppeld te worden aan het bodemfront, zoals dit impliciet door een publicatie van Creutzberg (Waddenbulletin 1989) al gemeengoed aan het worden is.' Als zodanig duikt het Front nu ook op in topografische kaarten van publicaties, bijvoorbeeld in de 'Atlas of the zoobenthos of the Dutch Continental Shelf (Holtmann e.a., 1996; Fig.3) maar ook in de Noordzee-atlas (kaarten 1-3). Frappant is nu dat de aanleiding voor het huidige rapport juist het feit is dat midden negentiger jaren ontdekt werd dat het bodemfront, met markante benthos-soorten in hoge dichtheden in een typische zonering, aan het verdwijnen was. Deze onverwachte ontwikkeling leidde tot een oplevende interesse voor het Friese Front, en resulteerde in nieuwe NIOZ-vaarprogramma's van met name onderzoekers uit de afdeling Manen Ecologie. Maar ook bij het beleid binnen de Rijkswaterstaat trok de verdwijning van het Front de nodige aandacht. In de lopende monitorprogramma's wordt het gebied van het Friese Front maar zeer beperkt bemonsterd, zodat de Directie Noordzee besloot om binnen het project 'Toestand van de levende zee' extra scheepstijd ter beschikking te stellen aan het Rijks Instituut voor Kust en Zee (RIKZ) voor een meer gedetailleerde bemonstering van het gebied. Het RIKZ nodigde het NIOZ uit om op basis van wetenschappelijke samenwerking aan deze 'Meetcampagne Friese Front 1999' mee te werken. En om aan de hand van de recente gegevens, merendeels nog niet gepubliceerd, een beeld te schetsen van de huidige situatie en inzichten betreffende het Friese Front, als onderbouwing van het beoogde meetprogramma. Bij lezing van dit rapport zal blijken dat ons begrip van het reilen en zeilen van het Front nog verre van compleet is. Inmiddels is die vaartocht met de 'Mitra' begin september uitgevoerd, met veel succes. In dit rapport wordt nog niet uitvoerig op de nieuwe gegevens ingegaan, temeer omdat de schat aan data en monsters nog niet verwerkt is. Op deze Mitra-tocht werd echter voor het eerst ook uitvoerig in het Engelse deel van de Zuidelijke Bocht gemonsterd en in het laatste hoofdstuk wordt beschreven dat daarmee opnieuw een puzzie-stukje van het 'Geheim van het Friese Front' gevonden lijkt te zijn. Texel, oktober 1999 Martien A. Baars

1. Introduction

1.1 Background and objectives

In the early 1980's the Frisian Front has been identified by the former NIOZ scientist Dr. Freek Creutzberg as a biologically interesting zone between the shallow southern North Sea (25 m) and the deeper Oyster Ground (50 m). One of the first features Creutzberg noticed was that there was an abrupt transition in the sediment composition of the seabed between the 30-m and 40-m depth contours. Going from south to north the sediment appeared to change from sand into more or less pure clay with high mud contents within a few geographical minutes, c.q. nautical miles. Apparently, the maximum tidal current velocities drop here below a critical level, resulting in high mud and organic carbon contents of the bottom. The sharp transition in sediment composition at about the 35-m isobath has been called the benthic front. One of the most striking features that distinguished the benthic fauna in the muddy sediment below the 35-m isosobath from the fauna in the shallower sandy areas was the mass occurrence of the brittlestar Amphiura filiformis. At stations with a mud content below 2% this species was always absent, but below the 35-m isobath the numbers rapidly increased, with densities ranging from 400 to 2000 indiv. per m2.

Creutzberg did more observations. At various occasions he collected water samples which revealed bands of enhanced chlorophyll concentrations parallel to the local depth contours, often at or in the vicinity of the transition between the completely mixed water in the south and the stratified water in the north. The cause of this enhanced concentrations, c.q. productivity, at or in the vicinity of the pelagic front and the relation with the benthic front has been subject of wide discussions and various explanatory hypotheses have been proposed. The main hypothesis (originally by F. Creutzberg) is that this is caused by a substantial flux of regenerated nutrients from the bottom into the water column, leading to a marked 'new production' and resulting in chlorophyll concentrations that are at least doubled compared to southern and northern waters. Secondly, since in the area different water masses converge (Central North Sea Water, English Coastal Water, English Channel Water, Continental Coastal Water), it has also been suggested that fronts between these water masses lead to increased primary productivity in case different limiting factors are involved. Thirdly, the summer tidal front between mixed water in the south and stratified water above the Oysterground is often coinciding with the site of the enriched benthic zone. So upwelling and mixing of deeper, relatively nutrient-rich water at the tidal front could be another cause for increased water column productivity above the Frisian Front.

Multidisciplinary expeditions have been carried out in the area in 1986 and 1987. However, since these extensive studies did not reveal clear bands of elevated chlorophyll concentrations (c.q. primary productivity) the interest for the Frisian Front flagged. Even when during a revisit of the area in the late summer of 1990 a clear chlorophyll band was observed again, this observation failed to give a new impulse to research of the area.

During recent years a large number of macrofauna samples have been collected repeatedly at stations over the whole Dutch sector of the North Sea, including the Frisian Front area, in the framework of various programmes (MILZON, BIOMON, Monitoring Offshore installations, the NIOZ biological course). The data sets resulting from these programmes all have in common that they suggest a drastic decrease of Amphiura filiformis densities in (at least parts of) the Frisian Front area. Such a decrease is most clearly illustrated by the situation observed in consecutive years at the central Frisian Front station META 2 (53042.5' N, 4030' E). Up to 1992 A. filiformis densities at this station were always far beyond 1000 indiv. per m2. A first indication of decreasing densities was observed in 1993 when the numbers fell below 1000 indiv. per m2. This tendency continued in the following years and in 1995 and 1996 the densities at META 2 were estimated at no more than 100 indiv. per m2. Further, there are indications that A. filiformis is not the only species for which densities changed. For example, the gastropodTurritella communis, which was frequently found in the 1980's, seems to have become relatively rare in the 1990's.

The decrease of A. filiformis was the actual motive to restart the investigations at the Frisian Front. Have hydrographic or other environmental factors, e.g. food availability changed? Or is failing spatfall, failing recruitment or mortality among older adults the cause of the decrease? The 1997 expedition to the Frisian Front was meant as a first step to answer these questions. In the first place the expedition was aimed to assess to what extend the Frisian Front can be distinguished as an enriched (pelagic and benthic) zone compared to the surrounding areas and whether the position of the front has changed compared to the situation before 1990.

1.2 Period

The expedition consisted of two 5-day cruises, the first from 15 to 19 September and the second from 22 to 26 September 1997. During the first week a combined pelagic and benthic programme was carried out. The second week was mainly used for benthic work.

1.3 Study area

Sampling stations were concentrated on 6 north-south transects between 30.30' and 60.00' E and between 530.25 and 540.10' N (Fig. 1). Each transect consisted of 10 to 14 stations at intervals of 3 miles. An additional CTD-rosettesampler section was measured on a transect in the Oyster Ground. Exact positions of all sampling stations and information on the sampling activities at these stations are given in the Appendix.

1.4 Operational methods

The on board activities consisted of the following:

1) Benthos sampling with a large boxcorer (50x50 cm) at all stations of the 6 north-south transects. Subcores were collected from each sample for sediment characteristics (grainsize, pigment content) and numbers of larval Amphiura filiformis. The remainder of the samples was washed over a sieve (1 mm) to collect the macrofauna.

2) Continuous registration of temperature, salinity and fluorescence of the surface water by means of the onboard aquaflow system (along the north-south sampling sections at daytime and along additional sections during sampling breaks at night). It was anticipated that spatial patterns in chlorofyll concentrations of the surface water could be compared later to simultaneous satellite images (SeaWiFS).

3) CTD rosette sampling along the central Frisian Front section (4030' E), CTD rosette sampling along a section in the Oysterground and CTD casts along the 3030' and 5000' E sections.

4) Vertical net hauls (200 m m and/or 50 m m) at all stations of the central section (4030' E) and at 3 extreme stations ('South', 'Front', 'North') of the 4000' and 5000' E sections, for determination of zooplankton displacement volume (biomass 'new style', i.e. after removal of exuviae). All catches were frozen at -80oC, for later measurement of chitobiase activity (in copepods), and for taxonomic composition. In addition, vertical net hauls were made to obtain material for moulting experiments.

 

The following questions were to be addressed in the Sept 1997 cruise in case the enriched pelagic zone was occurring above the benthic Frisian Front:

      • What is the spatial extension in SW-NE direction (the direction of the residual current) of the increased chlorophyll concentrations? During the earlier cruises only a central single section has been studied, but on the basis of the 'new nutrients-long residence time' hypothesis (or the water mass hypothesis) it should be a SW-NE stretched chlorofyl-'curtain'.
      • Is the phytoplankton species composition in the 'chlorophyll-curtain' different from southern and northern waters? During some earlier cruises HPLC pigment analyses were done, but microscopical or flowcytometrically analyses lacked so far.
      • Does the abundance of bacteria, microzooplankton and mesozooplankton reflect the chlorophyll distribution? Is there increased secondary production (higher growth rates, relected in increased activity of the moulting enzyme chitobiase) at the 'chlorophyll-curtain'? During previous cruises these groups have not been sampled, except for mesozooplankton during the Sept 1990 cruise: copepod numbers were about doubled compared to the northern waters, indicating a marked response to the increased phytoplankton stock.

 

 
 

Perhaps Piet Creutzberg is and essentially always has been an artisan and an admirer of the best in craftmanship. The emphasis on the practical side of things seems to pervade whatever he undertook during half a century. Anyway, it is as a trader of the historical craft - wielding a Chinese abacus or an electronic computing devic- that, from about 1965 onwards, an increasing number of younger students of Indonesian social, economic and political history have met him in the depot of the 20th century colonial archives in The Hague or at the Royal Tropical Institute in Amsterdam. Of the scores of Dutch, Indonesian, British, Scandinavian, German, American, Australian and Japanese historians he inspired and advised some were writing a master's thesis, others had already made part of their academic career in Indonesian history or related topics, but most of them were in the critical phases of collecting published or archival materials with a view to their incorporation in doctoral dissertations.

Piet Creutzberg: from ethical economics to economic history.- Early outside influences.- De oudste Indonesische maiscultuur.- Trojan horse of lead: the picis in early 17th century Java.- The ritual lancing of Durga's Buffalo in Surakarta and the offering in the Krendowahono forest of its blood.- Economic trends and the interwar years.- Het vervoer via de spoorlijn Sernarang-Vorstenlanden als welvaartsindicator voor de bevolking in Java's Vorstenlanden (1874-1883).- The economic structure of an outpost in the outer islands in the Indonesian archipelago: Portuguese Timor 1850-1975.- De ontwikkeling van Semarang als koloniale uitvoerhaven van Midden-Java sinds 1900 en zijn tegenwoordige betekenis.- De copra-olieindustrie in Nederlands-Indie gedurcnde en kort na de Eerstc Wereldoorlog (1914-1921).- Crisis en financieel beleid in Nederlandsch-Indie (1920-1925).- Het bestedingspakket van de 'inheemse' bevolking op Java (1921-1939).- A note on the history of the textile industry in West Sumatra.- De depreciatie van de Nederlandsch-Indische gulden in 1936.- Colonial administration and its reactions.- De kontroleur G.K. Baron van Hogendorp (1844-1879): een enthousiast statisticus.- Association in theory and practice: the composition of the regency council (ca. 1910-1920).- Cane-burning in the Pasuruan area: an expression of social discontent.- The Bengkalis hunger riots of 1935.- The collapse of Java's colonial sugar system and the breakdown of independent Indonesia's economy.- Een wissel op de toekomst: de rede van Koningin Wilhelmina van 6/7 december 1942.- Perspectives in historiography.- De plaats van de biografie in de koloniale geschiedenis. Van der Wijck bijvoorbeeld.- 'Changing Economy' en Bataviaasch Genootschap: de 40-jarige voorgeschiedenis van een publicatie.- The study of economic history in Indonesia.- Notes on the contributors.

P. Creutzberg, ed., Het ekonomisch beleid in Nederlandsch- Indië, Eerste stuk (Uitgave van de commissie voor bronnenpublikaties betreffende de geschiedenis van Nederlandsch-Indië 1900-1942 van het Nederlands Historisch Genootschap, V; Groningen: Wolters-Noordhoff, 1972, xlix + 756 blz.,ƒ135-.).

Historici in Nederland hebben gegronde reden de heer Creutzberg dankbaar te zijn dat hij zijn tijd, talenten en kennis uit de eerste hand omtrent het Indië van vóór 1940 heeft gebruikt om deze publikatie tot stand te brengen Dank zij zijn krachtinspanning en dankzij de medewerking die hij van het HG heeft ondervonden zijn we thans goed op de hoogte van achtergronden van het ekonomisch beleid in Indië, beter misschien dan ten aanzien van het beleid in Den Haag het geval is.

Het is een werk van kloek formaat geworden: inclusief het bijwerk ten naaste bij 800 bladzijden. De vijf hoofdstukken van het boek handelen achtereenvolgens over de scheiding tussen de geldmiddelen van moederland en kolonie (I), de leningbevoegdheid van Indië (II), de Indische welvaartsplannen (III), het muntwezen (IV) en - tot slot - de verdeling van de kosten van de vloot over Nederland en Indië (V). In het bijwerk heeft de bewerker behalve een personen- en een zakenregister een hele reeks andere nuttige hulpmiddelen voor de gebruiker opgenomen, te weten een lijst van ministers van koloniën, van gouverneur-generaals, van departementhoofden, en een opgave van Indische woorden.

Afzonderlijke vermelding verdient de bijlage statistische gegevens die voor een groot gedeelte is gebaseerd op enkele desbetreffende manuscripten van de heer Creutzberg; naar verluid hoopt hij deze studies te zijner tijd afzonderlijk te publiceren.

Uit de gegeven opsomming blijkt dat de stukken niet chronologisch zijn opgenomen maar per onderwerp zijn samengebracht, waarbij uiteraard daarbinnen weer een zekere chronologie in acht is genomen. Uit deze opsomming blijkt tevens dat de argeloze lezer die het werk opslaat met de bedoeling bijvoorbeeld na te gaan welke rol de tariefpolitiek in het hele ekonomische beleid heeft gespeeld - of om iets anders te noemen de invoerregelingen bedrogen uitkomt. Hij vindt daar geen verzameling stukken over terwijl hij toch weet dat er nogal wat over te doen is geweest (vergelijk H. J. van Oorschot, De ontwikkeling van de nijverheid in Indonesië, welke studie op literatuuronderzoek is gebaseerd). Indachtig de mededeling van W. T. Kroese (in Economisch-statistische berichten (1946) 599) dat waardevolle documenten tot zakjes voor de katjanggoreng verkoop zijn verknipt, bekruipt hem wellicht de vrees dat er grote lacunes in de archieven zijn ontstaan.

Misschien is de oorzaak minder dramatisch, want Creutzberg geeft slechts capita selecta en bovendien bewerkt hij daarvan nog een tweede stuk. Zekerheid wordt de lezer in dit opzicht niet geschonken, want over de inhoud van dat tweede stuk wordt in wel haast alle talen gezwegen. Een aankondiging van het program is mijns inziens bij de publikatie in etappes capita selecta geen weelde, terwijl de lezer ook wel wil weten welke onderwerpen buiten beschouwing blijven, en waarom. Nu is het lijdzaam afwachten wat er nog komt. En dat irriteert, vooral omdat door de rijkdom van de publikatie die thans voor ons ligt de verwachtingen gespannen zijn.

Vanwege haar inhoud zal deze bronnenpublikatie vooral de meer economisch geïnteresseerden aanspreken, maar toch heeft zij ook anderen wat te bieden. Al meteen in het eerste hoofdstuk staat een algemeen vraagstuk in het middelpunt, de Ereschuld. En dan vooral de vraag of er restitutie moet plaats hebben, ja of nee. En hoe groot zijn dan de baten geweest; mogen de rekenmeesters bij de becijferingen alle door Nederland gemaakte kosten aftrekken, of misschien niet voor zover deze voortvloeiden uit de handhaving van Nederlands positie als koloniale mogendheid? Op het eind van de discussie gaat het beleid verder uit van Idenburgs standpunt dat restitutie van de batige sloten niet doenlijk was (en de cijferaars hun werk wel konden staken) omdat deze altijd op grond van het geldende recht naar Nederland waren overgemaakt; daaraan verbindt hij echter de erkenning van de zedelijke roeping van het moederland om de kolonie in nood financieel bij te springen.

Al heel gauw krijgt Idenburg, die uit de stukken overkomt als een terriër die wat hij tussen zijn kaken neemt niet meer loslaat, zijn kans; de 'mindere welvaart' maakt de tijd rijp voor hulp uit patria. Idenburg wil de kolonie er bovenop helpen door een gezonde economische basis te leggen, met financiële ruggesteun van het moederland. Maar om de breuk met het verleden van de batige sloten te markeren en Indië's financiële zelfstandigheid te onderstrepen wil hij Indië een eigen lening laten aangaan, zonder tussenkomst van Nederland. Dat kost hem heel wat hoofdbrekens. Is de kolonie wel een rechtspersoon die zelfstandig schulden kan aangaan? De staatsrechthoogleraar De Louter is heel pertinent in zijn ontkenning, maar Idenburg weet ook adviseurs te vinden die er anders over denken.

Veel belangrijker nog was de vraag of, gesteld dat het land een eigen lening mocht aangaan, het ook een geldschieter zou weten te vinden. De Indische schatkist kon de dienst van zo'n lening niet dragen; Idenburg wilde die endosseren aan Nederland maar erg duidelijk en voor de belegger aantrekkelijk werd het daardoor toch niet. Het loopt erop uit dat de minister - toentertijd Pleyte - met grote financiers rond de tafel gaat zitten, langs de neus weg van een gedwongen Indische lening rept, en bij een volgende séance met steun van Van Aalst gedaan krijgt dat de heren de emissie overnemen, zij het dan dat de minister zich een partijtje handjeklap met Van Aalst moet laten welgevallen over de hoogte van de rente.

Zo kwam het geld op tafel om de welvaartsplannen te financieren. En op de duur zijn er op allerlei wijs pogingen ondernomen de welvaart van de bevolking hechter te verankeren, door verbetering van het volkscredietwezen, bevordering van nijverheid, verbetering en uitbreiding van de departementale organisatie op het gebied van de landbouw, stimulering van de bevolkingslandbouw, irrigatie, wegaanleg, aansporing tot migratie, verhoging van het peil van het onderwijs. In totaal beslaan de stukken betreffende deze welvaartsplannen circa driehonderd bladzijden waarin daarvan een helder beeld wordt gegeven.

Wat de lezer van die honderden bladzijden enigszins verbaast, is het ontbreken van stukken betreffende de nijverheid na 1921. Na dat jaar is er toch wel het een en ander omgegaan in de bemoeiingen van het Indische gouvernement met de nijverheid. Zo lezen we niets definitiefs over de pogingen om de producenten tot het aangaan van produktieregelingen te brengen, niets over de Staatscommissie-Bruins die over de economische samenwerking tussen Nederland en Indië rapporteerde. In hoeverre de malaise de lijn van het beleid heeft afgevlakt of omgebogen wordt in dit Eerste stuk ook niet uit de doeken gedaan. En of in die benarde tijd meer dan gewoonlijk met het Nederlandse belang werd gerekend evenmin. Vermoedelijk komt dit straks in het Tweede stuk aan bod.

Wie veel belang stelt in de hier aangesneden vragen, denkt wellicht (als het hem vergaat als mij) in een eerste opwelling dat hij in ruil het hoofdstuk over het muntwezen wel had willen missen. Ten onrechte. Uit de daar opgenomen bescheiden blijkt dat het hier niet om futiele kwesties gaat die alleen een enkele specialist interesseren. Indië en Nederland gebruikten dezelfde munt. In principe kon Indië in Nederland zijn zilvergeld in goud omzetten en naarmate de Indische economie verder in de wereldhandel werd geïntegreerd leek de kans daarop groter te worden. De goudvoorraad bij de Nederlandse Bank kon daardoor worden aangetast en de geldcirculatie ontwricht. Na een paar vragen in deze richting van een Indische specialist in de Tweede kamer, Cremer, gaat er op de duur een staatscommissie aan het werk die in 1928 met het advies komt de muntstelsels te scheiden.

De Geer die als minister van financiën het rapport op zijn tafel vond nam het voor kennisgeving aan; voorlopig werkte de munteenheid nog zonder veel moeilijkheden. Hij beperkte zich er toe de secretaris een lintje te bezorgen. Dat zijn passiviteit in het Indische wereldje enig opzien baarde komt tot uitdrukking in een kleine bandjir van stukken. Het laatste hoofdstuk, dat handelt over de verdeling van de marine-uitgaven tussen Nederland en Indië, behelst bijzonder interessante en brede beschouwingen en gegevens over de draagkracht van de kolonie, aangevuld met vergelijkingen met de Nederlandse situatie.

Het lijkt mij zeer instructief het Indische cijfermateriaal  te zijnertijd eens te vergelijken met de macro-economische schattingen van J. J. Polak, daterend van dertig jaren her, doch eerlang door de goede zorgen van, alweer, de heer Creutzberg opnieuw te publiceren. Op bladzijde 730 aan het einde van dit hoofdstuk en daarmee van het boek gekomen, heeft de lezer de neiging te verzuchten dat de kous eindelijk af is. Een verwijt aan het adres van de bewerker moet men daar niet in zien. Mijns inziens had hij in het kader van de gekozen opzet de behandelde stof niet wezenlijk kunnen bekorten, zonder schade voor het geheel; samenvattingen waarvan hij er wel enkele opneemt, zouden evenmin veel soelaas hebben gebracht. Er blijkt nu eenmaal veel belangrijk materiaal voorhanden te zijn over de behandelde onderwerpen en dan is de groei van de publicatie een natuurlijk proces. Die is overigens wel krachtig bevorderd door de gewoonte in 'tempoe doeloe' lang van stof te zijn. Over het rapport van de Staatscommissie voor het muntwezen brengt de raad van Indië bijvoorbeeld een advies uit in achttien punten, de gouvernementscommissaris bij de Javasche bank heeft er vervolgens zevenentwintig nodig, en de directeur van financiën ziet geen kans met minder te volstaan dan zesenzestig; breedvoeriger kan het nauwelijks. Ik laat het bij deze enkele opmerkingen naar aanleiding van deze belangrijke bronnenpublicatie en herhaal dat de heer Creutzberg, met zijn medewerkers, aanspraak maakt op onze erkentelijkheid; hij verdient dat eerlang een historicus de gepresenteerde stukken in een monografie tot hun volle recht doet komen.

J. A. de Jonge

 

 

Broer Gerben advocaat

Gerben Creutzberg

 

Gerben Creutzberg is in 1979 beëdigd als advocaat.

Gerben studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na een periode van algemene praktijk heeft hij zich gespecialiseerd in het vastgoedrecht. Nu doet hij vooral bouwzaken en omgevingsrecht (ruimtelijke ordening en milieurecht). Ook houdt hij zich bezig met de advisering in project- en gebiedsontwikkeling; bij uitstek een terrein waar kennis en ervaring in het bestuursrecht en het burgerlijk recht nodig is.

Hij is lid van drie specialistenverenigingen: De Vereniging van Vastgoedjuristen, de Vereniging van Bouwrecht Advocaten en de Vereniging van Milieurecht Advocaten. Gerben heeft daarvoor de vereiste specialisatie-opleidingen met succes gevolgd en de nodige ervaring opgedaan.
Gerben behandeld ook zaken op het gebied van het aanbestedingsrecht.

Gerben is oud deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Alkmaar en lid van het Hof van Discipline.
Gerben is tevens lid van de maatschap Knuwer advocat

Creutzberg FAMILY

Creutzberg Jelis (1879 - 1951 )   
Creutzberg Pieta (1915 - 1997 ), DAUGHTER  
Creutzberg Francoise (1884 - 1960 ), WIFE  

 

Rescue Story

Martinus Cornelis Cavaljé

Verzetswerk en illegaliteit

1940-1945

      (1916-1942)     

Ties Cavaljé, zoon van Ubbo Petrus Cavaljé en Magdalena Anna de Jong, studeerde theologie in Utrecht en werd in 1940 hulppredikant bij ds. Jelis Jan Creutzberg van de Ned. Herv. gemeente in Neerbos-Hees. Hij werd lid van de verzetsgroep "Het Oranjevendel" en van de groep Hogerland. In samenwerking met anderen hielp hij al in 1941 bij het verbergen en doorsluizen van geallieerde piloten naar de vrijheid. Hij verzamelde  spionagegegevens en gaf die door naar Engeland. Hij werd gearresteerd, waarschijnlijk door verraad, op 19 januari 1942. Gefusilleerd op 19 november 1942 bij Soesterberg. De Cavaljéweg in Nijmegen is naar hem vernoemd. Hij was verloofd met Pien Creutzberg, dochter van ds. J.J. Creutzberg, die in de oorlog twee zonen, Karel en Loet, verloor.

Bron: Nijmeegse Biografieën II in Jaarboek Numaga 2006 met foto, p.44, zie ook Bio's III in Jaarboek Numaga 2013, p.46-47; PK; OGS + foto grafsteen; de Cavaljéweg in Nijmegen is naar hem vernoemd.

Karel Frederik Creutzberg

Japanse bezetting van Indië - Balikpapan(Borneo) Massa-executie

20 of 24 februari 1942

Dominee Karel Creutzberg, zoon van ds. Jelis Jan Creutzberg(1879-1951) en  Francoise Nellij van Stein Callenfels (1885-1960), verbleef sinds 1933 als dominee op diverse plaatsen in Nederlands-Indië. Daarnaast was hij sinds 1941 ook legerpredikant in Balikpapan en daar trokken de Japanse troepen in januari 1942 binnen. Omdat de olievelden door het KNIL ondanks een Japans ultimatum vernield waren, werden alle daar nog aanwezige Nederlanders onder wie ds. Karel Creutzberg een maand later (op 20 of 24 februari 1942) vanaf het strand in Balikpapan in zee gedreven en neergeschoten. Zie ook het ODN-videoportret op Youtube:.

De naam van Karel F. Creutzberg komt voor op de herdenkingsplaquette van het Stedelijk Gymnasium Nijmegen. Kennelijk was hij oud-leerling van deze school. Zijn vader, ds. J.J. Creutzberg, in Nijmegen verloor tijdens de oorlog twee zonen, Karel en Loed. Bovendien kwam ook de verloofde van zijn dochter, hulppredikant M.C. Cavaljé, als gevolg van verzetswerk om het leven.

Bron: OGS, ged.boek 40; e-mail J.Brauer 7 nov.`09; Jaarboek Numaga 2013, p.46-47 over het gezin van ds. J.J. Creutzberg

Naam: K.F. Creutzberg

Voornamen:
Karel Frederik
Geslacht:
Man
Nationaliteit:Nederlandse
Geloof/kerkgenootschap: Nederlands-hervormd
Beroep:
Ds. Res.L. pred. KNIL
Burgerlijke staat: gehuwd
Adres: Hazenkampseweg 26
Woonplaats:
Nijmegen
 
Geboortedatum:
02-10-1908
Geboorteplaats:
Anna Paulowna
 
Overlijdensdatum:
20-02-1942
Overlijdensplaats:
Balikpapan (Ned.Indië)
Overlijdenslocatie:
Balikpapan
Begraafplaats:
Ereveld Kembang Kuning 176-179, Surabaya
Doodsomstandigheid:
omgebracht
 
Gebeurtenis groep:Japanse bezetting van Nederlands-Indië
Gebeurtenis: Japanse bezetting van Indië - Balikpapan(Borneo) Massa-executie
Militairen: Nederlands
 

Lodewijk Gerard Theodoor Creutzberg

Verzetswerk en illegaliteit

1940-1945

Loed (ook wel Loet) Creutzberg was in 1920 geboren als tweede zoon van Ds. Jelis Jan Creutzberg. Vader Creutzberg was dominee, eerst in Hees en vanaf 1926 in de nieuwe wijk Hazenkamp in Nijmegen. Als voorzitter van de Christelijke scholen in Nijmegen kwam hij in conflict met de Duitse bezetter over  een provocerende Duitsgezinde onderwijzer, lid van de NSB. Ds. Creutzberg kwam er zelf zonder kleerscheuren vanaf, maar verloor in de Tweede Wereldoorlog zijn twee zonen Karel en Loed, Ook de verloofde van zijn dochter Pien, Ties Cavaljé, kwam om en wel als gevolg van zijn verzetswerk in Nijmegen. Karel Creutzberg was legerpredikant in het KNIL en werd vermoord door de Japanners in Balikpapan in februari '42,

Zijn jongere broer Loed Creutzberg had eerst op diverse scholen voor voortgezet onderwijs in Nijmegen gezeten, maar Loed was geen studiebol, eerder een liefhebber van actie en sport. Hij was een enthousiast padvinder en werd later lid van de roeivereniging. Het was zijn droom om vliegenier te worden, maar door de tegenvallende schoolresultaten leek die wens niet erg kansrijk. Sinds 1938 zat Loed op kamers in Amsterdam en volgde hij onderwijs aan de Electro Technische School (ETS) daar. Maar ook die studie vlotte niet.
In 1940 werd Loed als dienstplichtig militair gemobiliseerd en geplaatst bij het Korps Genietroepen in Rotterdam. Na de demobilisatie kwam Loed in het verzet terecht, eerst in Amsterdam, maar daarover is nog weinig bekend. Sinds april 1943 was hij ondergedoken bij dr. Bruins te Doornspijk omdat hij door de bezettende macht werd gezocht. Daar in de noordelijke Veluwe en met name in Nunspeet en Doornspijk raakte hij al snel opnieuw en intensief bij het verzet betrokken. Hij verspreidde illegale bladen (o.a. Trouw), plaatste onderduikers, organiseerde op grote schaal bonkaarten (o.a. overval op distributiekantoor te Wezep), vervoerde gestrande geallieerde vliegers en nam als KP-commandant actief deel aan de spoorwegsabotage en het vervoer van munitie en wapens. Na september 1944 werd hij in de noordelijke Veluwe commandant bij de Stoottroepen van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Maar nauwelijks was dat gebied bevrijd (rond 19 april 1945) of Loed spoedde zich naar het eerder bevrijde Zuiden. Daar meldde hij zich aan als oorlogsvrijwilliger. Dankzij zijn verdiensten in de illegaliteit werd hij snel toegelaten tot de vliegeropleiding van de Royal Air Force (RAF) en op 15 mei schreef hij vanuit Engeland zijn eerste enthousiaste brief naar Nijmegen. Al snel werd hij gestationeerd in de omgeving van Wolverhampton. Daar maakte hij als leerling-vlieger ook zijn eerste vlucht. Loeds vliegeniersdroom was dus toch nog uitgekomen. Des te tragischer was het dat hij geheel onverwacht op 28 juli 1945 in de buurt van zijn basis in Wolverhampton om het leven kwam doordat een vrachtauto bij een inhaalmanoeuvre Loed op zijn fiets van de weg reed. Hij werd op de Borough Cemetery van Wolverhampton begraven.

Bronnen: OGS + foto gedenksteen Ereveld Mill Hill in Londen. Naar J.J. Creutzberg en Cavaljé zijn straten genoemd in Nijmegen; Jaarboek Numaga 2013, p.46-47 over het gezin van J.J. Creutzberg; PK; Wolter Noordman, Luchtalarm op de Veluwe (Kampen 2002), p. 22-23. Adriaan van Boven, 'LO-Overijssel', Het Grote Gebod. Gedenkboek LO-LKP, 'In memoriam L.G.F. Creutzberg', De Zwerver van 24 augustus 1945. Henk van der Duim, Wij herdenken ... (Erven Tijl, Zwolle, tweede druk 1946). Brieven van Loed Creutzberg aan zijn ouders in Nijmegen van mei-juli 1945, bezit J.J. van Leeuwen te Zutphen.

Naam: L.G.T. Creutzberg

Voornamen:
Lodewijk Gerard Theodoor
Roepnaam:
Loet of Loed
Geslacht:
Man
Nationaliteit:
Nederlandse
Geloof/kerkgenootschap:
Nederlands-hervormd
Beroep:
Sold. R.A.F.
Burgerlijke staat:
ongehuwd
Adres:
Hazenkampseweg 26
Woonplaats:
Nijmegen
 
Geboortedatum:
18-12-1920
Geboortedatum toevoeging:
 
Geboorteplaats:
Nijmegen
 
Overlijdensdatum:
28-07-1945
Overlijdensdatum toevoeging:
 
Overlijdensplaats:
Wolverhampton (GB)
Overlijdenslocatie:
Wolverhampton (GB)
Begraafplaats:
Borough Cemetery,66, Wolverhampton
Doodsomstandigheid:
omgekomen door noodlottig ongeval
 
Gebeurtenis groep:
Verzetsactiviteiten
Gebeurtenis:
Verzetswerk en illegaliteit
Oorlogscategorie:
Burgers: verzetsmensen
Militairen: Nederlands
Dossiernummer:
OGS

Peter Creutzberg is een Nederlands filmmaker en cameraman die vooral in Suriname en de Nederlandse Antillen actief is. Hoewel collega’s met grotere faam in dezelfde tijd Suriname (Herman van der Horst met Faja Lobbi) en de Antillen (John Fernhout met ABC en Blue Peter) bezoeken, weet Creutzberg zich door zijn langdurig verblijf toch een bijzondere positie te verwerven. Zo wordt hij bij uitstek de chroniqueur van ‘de West’ tussen midden jaren vijftig en midden jaren zeventig, van de periode van het optimistische geloof in de maakbaarheid van de samenleving tot die van de angst voor de ecologische catastrofe. Met zijn films geeft hij de Nederlandse overheid letterlijk een (commentaar)stem, maar in de films van de Filmgroep Suriname, in Corsow en in zijn documentaires over natuurbehoud laat hij wel degelijk Surinamers en Antillianen aan het woord. Hij is een bioloog die zich tot etnoloog ontpopt en vervolgens weer bioloog wordt. Hoewel hij winnaar is van de prestigieuze Staatsprijs voor Film, heeft hij er geen probleem mee stock materiaal te schieten voor zijn collega’s. Kortom, hij is een pendelaar tussen verschillende culturen.

Creutzberg studeert biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1948 maakt hij tijdens een wetenschappelijke expeditie in Suriname opnamen voor een film die hij de titel Wakaboen geeft. Na een korte carrière als visserij-onderzoeker op de Noordzee, dat resulteert in een film over de oestercultuur Imperialen 00000 (1950), vertrekt hij naar Sierra Leone. Daar maakt hij twee documentaires ’N Wali bena en Mangrove (1954).

In 1955 vertrekt Creutzberg op uitnodiging van de Sticusa (Stichting Culturele Samenwerking tussen Nederland, Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen) naar Suriname om een filmopleiding te verzorgen voor een aantal jonge Surinamers. De groep wordt bekend als Filmgroep Suriname. In het jaar van aankomst helpt Creutzberg samen met leden van de groep Polygoon cameraman Piet Buis bij de opnamen van het bezoek van Koningin Juliana aan Suriname. In juli 1956 vertrekt Creutzberg met zijn drie meest belovende pupillen naar Nederland, waar ze onder diens leiding bij Multifilm een training ondergaan. De Filmgroep produceert onder meer Selantie (1956), over de opening van een zendingshospitaal van de Evangelische Broedergemeente, De kansen keren (1958), over leprabestrijding, Geen wonder maar: geduld (1958), over onderwijs aan blinden en doofstommen, en Het huis waaraan wij bouwen (1958) over de ontginning van polders in het kader van het Tien Jaren Plan.

Creutzberg werkt tevens als correspondent voor het Polygoon journaal. Hij vervaardigt items voor de rubriek "Uit de West". In 1959 besluit Creutzberg, die eerst door de Sticusa en later door de Surinaamse regering werd betaald, als zelfstandig cineast verder te gaan. Deze keuze wordt mede ingegeven door zijn moeizame relatie met de Regerings Voorlichtings Dienst Suriname. In opdracht van de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname maakt hij de film "Zwampoogst" die qua vorm en retoriek veel lijkt op de films over de nieuwe IJsselmeerpolders in Nederland. Ook maakt hij Gevleugelde verovering (1961), een film over de Operatie Sprinkhaan, waarbij eenvoudige vliegveldjes in de jungle van Suriname worden aangelegd om de binnenlanden te ontsluiten. Verder worden opnamen die Creutzberg in Suriname heeft gemaakt, bij Cinecentrum in Hilversum gemonteerd tot korte films waarin de modernisering van dit deel van het Koninkrijk wordt getoond.

Weer met de steun van de Sticusa maakt Creutzberg in de overstap naar de Nederlandse Antillen, waar een equivalent van de Filmgroep Suriname node wordt gemist. Met zijn gezin verhuist hij naar de Antillen en vervaardigt de kleurenfilms Oke aki Antillas (1962) en Te aworo (1964). In 1966 volgt de ambitieuze speelfilmCorsow waarvoor de Antilliaanse schrijver Boeli van Leeuwen het scenario schrijft. In 1967 wordt de film onderscheiden met de Staatsprijs voor Film. De toekenning van deze belangrijkste Nederlandse onderscheiding op filmgebied aan "Corsow" is overigens niet onomstreden. Vooraanstaande filmcritici als Jan Blokker zien Creutzberg als een vertegenwoordiger van een ‘ouderwetse’ manier van filmmaken. Ze steken hun ongenoegen over de keuze van de jury niet onder stoelen of banken.

Creutzberg is ook voor anderen dan Cinecentrum een belangrijke leverancier van stock materiaal over ‘de West’. Zo maken Charles Huguenot van der Linden (voor Das Salz des Lebens, 1968) en Bert Haanstra (voor Bij de beesten af, 1972) gebruik van door hem opgenomen materiaal.

Nadat Creutzberg in 1971 met De gouden zwamp en Wageningen nogmaals twee films over de zegeningen van de landontginning voor de Stichting voor de Ontwikkeling van Machinale Landbouw in Suriname heeft afgeleverd, veranderen zijn volgende films radicaal van boodschap: niet langer staat modernisering centraal. In plaats daarvan wordt natuurbehoud het voornaamste thema. Voor de in 1969 opgerichte Stichting Natuurbehoud Suriname (Stinasu) schrijft Creutzberg een rapport, waarin hij de productie van een aantal voorlichtingsfilms bepleit. Doel van deze films zijn om in Suriname een ‘nieuwe mentaliteit’ ten aanzien van de natuur te bewerkstelligen. Om die reden moeten, aldus Creutzberg, "de presentatievorm zodanig […] worden, dat alles ervaren kan worden als zuiver eigen, zuiver Surinaams". Met de onmisbare financiële steun van Sticusa gaat hij vervolgens aan de slag. Zijn opleiding als bioloog komt hem hierbij natuurlijk goed van pas. Wel blijft hij een ‘ouderwetse’ stijl van filmen aanhangen, met beelden die in de studio van geluid en commentaar worden voorzien. In 1971 zijn de eerste twee films uit de reeks van zeven gereed. In 1974 volgt de rest van de films.

Na deze filmreeks verlegt Creutzberg zijn werkterrein naar Colombia, waar hij aan diverse producties meewerkt. Tevens wijdt hij zich aan het verzamelen van fossielen die nu te zien zijn in een een naar hem genoemde zaal in het Museo de Historia Natural de la Sabana.

Peter Creutzberg kijkt terug (spaanstalig)

M. Vasalis is het pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans. Vasalis is een latinisering is van haar meisjesnaam ‘Leenmans’. Zij werd 13 februari 1909 geboren in Den Haag. Deze dichteres woonde van 1964 tot haar overlijden in 1998 te Roden.

In 1940 debuteerde zij met de bundel Parken en woestijnen. Haar andere dichtbundels zijn De vogel Phoenix uit 1947, Vergezichten en gezichten uit 1954 en postuum in 2002 De oude kustlijn. Haar werk is veelvuldig bekroond, onder meer met de Constantijn Huygensprijs in 1974 en de P.C. Hooft-prijs in 1982.

Zij was de dochter van Hal en Louise Leenmans-Creutzberg 

Een tweede kans voor vrouwen én overhemden

Ondernemer in beeld | Jolijn Creutzberg
Wie een oud, maar dierbaar overhemd opstuurt naar Van Hulley, krijgt hem binnen een week als boxershort weer terug. Niet alleen milieuvriendelijk om zo je oude kleding te recyclen, maar bovendien sociaal. Bij het naaiatelier Van Hulley krijgen namelijk vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt een kans om weer in het werkritme te komen, Nederlands te leren en kennis en vaardigheden op te doen. Initiatiefnemer Jolijn Creutzberg vertelt.
Haal meer uit mvo
 Klik hier

Ondernemer in beeld: Jolijn Creutzberg
Functie: initiatiefnemer
Bedrijf: Van Hulley
Plaats: Groningen
Opgericht: november 2012
Personeel: 13
Bedrijfsvorm: social enterprise
 
Creutzberg: “Wij werken samen met de gemeente Groningen en multicultureel vrouwencentrum Jasmijn om vrouwen, het zijn toch vooral vrouwen die hier willen werken, een leerwerkervaring te bieden. Op dit moment zijn dertien vrouwen actief bij Van Hulley. Het zijn momenteel vooral allochtone vrouwen die  we begeleiden naar betaald werk. Ze leren niet alleen boxershorts maken, maar vergroten hun zelfstandigheid en sociale en communicatieve vaardigheden. Het is prachtig om te zien hoe dat op allerlei vlakken vruchten afwerpt. Als wij bijvoorbeeld met het mobiele atelier bij een bedrijf staan, dan vertellen de naaisters zelf over Van Hulley. Dat was in het begin ondenkbaar.”
 

50-plussers

Maar Van Hulley is er niet alleen voor vrouwen van allochtone afkomst. Creutzberg: “Ik hoop dat er in de toekomst ook Nederlandse vrouwen bijkomen, vooral voor 50-plussers zie ik mogelijkheden. Door een tijdje bij Van Hulley te werken, kunnen ook zij weer terugstromen in de arbeidsmarkt. Het gaat erom dat iedereen met een afstand tot de arbeidsmarkt een tweede kans krijgt. En juist met hun kennis en levenservaring  kunnen zij een mooie aanvulling vormen.”
 
In de ruim anderhalf jaar dat Van Hulley bestaat, groeit het bedrijf hard. Nu worden elke maand zo’n tweehonderd boxershorts voor mannen én vrouwen (je kunt ook blouses opsturen) geproduceerd, al zeker twee tot drie keer meer dan een jaar eerder.
 

Duurzaam

Creutzberg: “Mensen zijn steeds meer bezig met hoe hun kleding is geproduceerd.
De ramp met de kledingfabriek in Bangladesh heeft mensen bewuster gemaakt van de omstandigheden waaronder dat gebeurt. Er is duidelijk een trend waarneembaar naar eerlijk geproduceerde kleding. Dat geldt ook voor duurzaamheid en recycling. Beide maatschappelijke ontwikkelingen vind je terug bij Van Hulley. Bovendien is ons product erg persoonlijk en zit er vaak een bijzonder verhaal aan vast.  Het was bijvoorbeeld een trouwoverhemd, of een blouse gekocht op een bijzondere reis. Ook hebben we al meerdere keren boxers gemaakt van  overhemden van een  overleden vader, voor zijn kinderen. Dat is een hele bijzondere herinnering natuurlijk."
 
Maar misschien wel het allerbelangrijkste voor klanten: Van Hulley levert kwaliteit. “We merken dat mensen nu bestellingen herhalen, omdat ze de shorts zo graag dragen. Je kunt zien dat er veel handwerk en aandacht in zit, het zijn echt unieke boxershorts geworden. Qua prijs kunnen we concurreren met de duurdere merken, het kost 27,50 euro om je overhemd te laten ombouwen inclusief verzending. En dan heb je een echte Van Hulley, met kenmerkende details, zoals de manchet van de mouw die voor de gulp gebruikt wordt. Natuurlijk duurt het nog wel even voor ons merk echt bekend is, maar  de start is veelbelovend,” vertelt Creutzberg.
 
Doorgroeien
Uiteindelijk is het de bedoeling dat de vrouwen uit het naaiatelier doorgroeien, bijvoorbeeld naar een eigen coöperatie van Van Hulley of naar een ander, misschien zelfs eigen bedrijf. “In principe hebben vrouwen een participatiebaan voor twee jaar, daarna moeten zij zelfstandig verder kunnen. We bestaan nog maar anderhalf jaar, maar er komt zeker een vervolgplan om deze vrouwen verder te begeleiden. Door van Van Hulley een sterk merk te maken, gebaseerd op de pijlers sociaal, duurzaam en persoonlijk, hoop ik in de toekomst heel veel vrouwen die tweede kans bieden."
 
Foto: Carina Dolfing.

Barbara Braams

Honderden pubers belanden jaarlijks in het ziekenhuis met een alcoholvergiftiging. Ze vormen de meerderheid van gearresteerden op verdenking van misdrijven en maken de meeste ongelukken van alle weggebruikers. Het ene moment beloven ze dat ze geen alcohol of drugs gaan gebruiken en diezelfde avond gaat het al mis. Waar komt deze hang naar risicogedrag vandaan?

Barbara Braams is expert op het gebied van risicogedrag in de adolescentie. Tijdens haar promotie aan de Universiteit Leiden heeft ze de invloed van leeftijd, puberteit en hersenontwikkeling op risicogedrag onderzocht. Ze werkt nu aan Harvard University waar ze de sociale invloed op risicogedrag tijdens de adolescentie onderzoekt.

In Het riskante brein legt ze uit wat we de afgelopen jaren hebben geleerd over de relatie tussen risicogedrag en hersenontwikkeling, en hoe we deze kennis kunnen toepassen. Aan de hand van verschillende studies krijg je inzicht in het soms onbegrijpelijke gedrag van adolescenten en wordt duidelijk wat nu juist het belang is van dat risicogedrag.

Barbara Braams (1986) studeerde cognitieve neuropsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze promoveerde onder leiding van prof. dr. Eveline Crone op risicogedrag in de adolescentie. Momenteel is Braams als postdoc verbonden aan de Harvard University, waar ze onderzoekt welke invloed de sociale omgeving heeft op risicogedrag.