De fusie van het NRG en het RG. Nieuwe naam Republikeins genootschap

Zaterdag 13 mei 2017  was een belangrijke datum in het jonge leven van het Nieuw Republikeins Genootschap (NRG). Op de agenda van de jaarvergadering stond het voorstel  de naam van het NRG te veranderen in Republikeins Genootschap van Nederland, en de statuten in die zin aan te passen. Daarmee ging het oude Republikeins Genootschap (RG) van wijlen Pierre Vinken c.s. op in het nieuwe verband. RG-lid Ulli d’Oliveira was een der wegbereiders van de fusie en licht hier de motieven toe.

Tekst Ulli d’Oliveira

Het Republikeins Genootschap (RG) bestond sinds 1996, toen Pierre Vinken dit met een aantal medestanders uit de meritocratische kringen van Nederland oprichtte. De eerste twintig jaar van het RG zijn uitvoerig beschreven in  Paul Frentrops biografie van Pierre Vinken, Tegen het idealisme (2007). Inmiddels is Pierre Vinken in november 2011 op 83-jarige leeftijd overleden. Zoals bekend bestond het RG vooral uit een aantal namen. Er was geen vergadering, er werd geen contributie geheven, en oprichters konden niet van de lijst geschrapt worden, want ze konden hun bijdrage aan de oprichting niet ongedaan maken. Latere leden werd soms schrapping vergund, vaak gepaard gaand met een gedoseerde minachting, aangezien een verzoek van een genoot om van de ledenlijst te worden afgevoerd nogal eens samenhing met diens nadering tot het koninklijk huis.

Pim Fortuyn, op zich republikein, gaf te kennen dat het zijn ambitie om minister-president te worden zou fnuiken als hij officieel op de lijst zou staan. Sommigen waren ook onaangenaam verrast dat hun naam open en bloot op de website van het Rg bleek te prijken; zij waren liever crypto-lid. ’Het laatste taboe’, zoals Frentrop het aan het RG gewijde hoofdstuk in zijn biografie noemt, deed  nog steeds een aantal republikeinen de moed in de schoenen te zinken, enigszins vergelijkbaar met de gewetensbezwaarden die toch hun militaire dienst maar uitzaten om een hun voorgespiegelde loopbaanfnuiking te ontlopen. Ocherm.

Republikeinse grondwet

Het RG was geen organisatie. Het enige wat de genoten bond was hun republikeinse overtuiging en een zweem van aanvuring om daar als het zo uitkwam uiting aan te geven. Voor het overige bestond er een website met de lijst van namen, en, uitermate nuttig, een lijst van republikeins publicaties in de media, waar je voor een deel naar kon doorklikken. Ook een republikeinse grondwet ontbrak niet; er waren er zelfs meerdere.

Enig genootschapsleven was er wel. Onder aanvoering van Pierre Vinken kwamen  regelmatig in de serre van Bodega Keyzer een aantal genoten bijeen, puur uit gezelligheid. Onder hen Paul Frentrop, Hans van den Bergh, Loek van Vollenhoven, Max Pam, Theodor Holman, Joop Goudsblom, Gijs van de Westelaken, Hans Teeuwen, Henk Steenhuis, Ad Franssen, Mai Spijkers, en off and on ook anderen. Na Pierre’s dood  werd dit herendiner  op kleinere schaal voortgezet tot aan de huidige dag, zij het op andere locaties.

Uitdunning

Toch kwam de klad in het RG. De site werd niet echt meer professioneel bijgehouden, er werd niet meer actief leden geronseld, en een zekere uitdunning door overlijdens kon niet worden tegengehouden of gecompenseerd. Anderzijds kwamen er geluiden vanuit het NRG dat vormen van samenwerking werden gezocht. Nu was er altijd niet alleen een zekere spanning tussen de ‘élitaire’ vraagclub van het RG en het democratische NRG, waar ieder lid van kon worden als hij zijn contributie betaalde, maar bovendien leverde het bestaan van beide organisaties verwarring op bij aspiranten en sympathisanten, en dat kwam geen van beide genootschappen ten goede. Bovendien was en is het NRG  actiever in het verwezenlijken van de aspiraties naar een Republiek Nederland  dan het RG dat was. Vandaar dat er gesprekken ontstonden tussen bestuursleden van het NRG en leden van het RG. Dit was van die laatsten een greep naar de macht, want zij konden namens niemand spreken. Paul Frentrop en ondergetekende  wierpen zich op om de gesprekken te voeren en kwamen een paar keer bijeen met bestuursleden van het NRG, met name voorzitter Hans Maessen. Usurperend en al waren wij bereid om de naam RG over te dragen aan het NRG, de ledenlijst beschikbaar te stellen voor het in te richten tableau, waarop leden en sympathisanten blijk kunnen geven van hun steun aan het republicanisme. Een en ander zou zijn beslag krijgen op de vermelde ledenvergadering van het NRG.

Dat was nog niet zo eenvoudig, want er waren tegenvoorstellen ingediend voor een nieuwe naam van het NRG. Omdat ik ook al lang lid was van het NRG kon ik ook in die hoedanigheid de medeleden toespreken en het voorstel van het bestuur steunen. Weliswaar klinkt ‘genootschap’ wat oubollig en ook weer enigszins sektarisch en restrictief, niettemin zou het grote voordeel zijn dat de verwarring tussen beide genootschappen uit de wereld zou worden geholpen.

Ik vond het nuttig om ook te herinneren aan het bij de troonsopvolging gehuldigde principe: Le roi est mort, vive le roi! Het RG is dood, leve het nieuwe RG. Gelukkig werd de tweederde meerderheid, nodig voor de statutenwijziging gehaald, ruimschoots zelfs. Zo is dus na dertig jaar het RG ten grave gedragen en het nieuwe RG uit de as ervan herrezen.

En wat het op te richten Tableau betreft: daar mag iedereen op staan die langs democratische weg streeft naar de afschaffing van de monarchie in Nederland. Mocht men van opvatting veranderen of  anderszins  geschrapt wil zijn van het tableau, dan kan dat op eenvoudige manier en te allen tijde door een briefje aan het bestuur te sturen. Zo wordt  vast de ledenlijst van het oude RG  – gezuiverd van de overledenen-  op het tableau opgevoerd, met de mogelijkheid van opting out.

Gebroken kroontje

Vermelding verdient nog, dat de site van het  nieuwe RG  spectaculair vernieuwd wordt en dat er  alvast een mooi logo  voor het RG is ontwikkeld. Vanuit de zaal werd geopperd om  voor alle duidelijkheid aan de gestileerde letters RG een gebroken kroontje toe te voegen. Ik heb de vergadering ervan weten te overtuigen dat dit geen goed idee was. Ik wees erop dat de Oranjes de republikeinen beschouwen als een nuttige waakhond die de monarchie scherp houdt. Als wij daarom te zijner tijd het predicaat ‘koninklijk’ verwerven wegens onze verdiensten voor de monarchie zit zo’n gebroken kroontje danig in de weg.

Oranjes en de Joodse Nederlanders. Het doorprikken van een mythe

De Oranjes en Joden in Nederland: ‘Het zwijgen van koningin Wilhelmina heeft levens gekost’

Hans Knoop en Manfred Gerstenfeld over de Oranjes en de Joden (en over Mark Rutte)

16-04-2018, 14:56 

Op 17 april opent koning Willem-Alexander in het Joods Historisch Museum te Amsterdam een tentoonstelling over de relatie van de Oranjes met de Joodse gemeenschap in Nederland. Naar verluidt is dat een innige band die inmiddels vier eeuwen beslaat. Royals en Joden, was dat altijd koek en ei of zijn er ook zwarte episoden? Zijn er historische feiten die men ter wille van de lieve vrede maar al te graag onder het koninklijk tapijt schuift? Journalist Hans Knoop en antisemitisme-expert  Manfred Gerstenfeld geven antwoord. Met name één royal komt bij beiden niet goed uit de test.

Hans Knoop verwierf wereldfaam met het opsporen van oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Als hoofdredacteur van de Joodse krant NIW was hij de eerste die ooit prins Claus interviewde, de vader van onze huidige koning. Manfred Gerstenfeld groeide op in Amsterdam, maar verhuisde in 1968 naar Israël. Tot zijn pensioen was hij consultant van raden van bestuur bij diverse Fortune 500-bedrijven. Sinds begin jaren negentig is hij verbonden aan de Israëlische think tank JCPA, waarvan hij van 2000 tot 2012 de voorzitter was.

‘Een bijzonder pijnlijke affaire’

Gerstenfeld: ‘Wilhelmina komt als een duistere figuur uit de oorlog. In haar radio-praatjes vanuit Londen heeft ze nagelaten de Nederlanders concreet op te roepen Joden te helpen en te laten onderduiken. Een bijzonder pijnlijke affaire. Een dikke smet op het blazoen van de koninklijke familie.’ Knoop concludeert dat het zwijgen van de vorstin in ballingschap levens heeft gekost: ‘Stel je voor dat Wilhelmina bij Radio Oranje de Nederlandse ambtenaren had opgeroepen om niet mee te werken aan welke anti-Joodse maatregel dan ook, dan zouden er ook foute mensen zijn geweest omdat ze ervoor betaald kregen of welke andere reden dan ook, maar dan zouden er veel meer zijn geweest die het niet zouden hebben gedaan.’

Nederlandse ambtenaren waren intensief betrokken bij de praktische uitvoering van de Endlösung. De historicus Ad van Liempt, die onder andere de Jodenjacht van de reguliere Nederlandse politie heeft onderzocht, schat dat speciale politie-eenheiden circa 9.000 Joden hebben opgepakt en op transport gezet. Rond de jaarwisseling ’42-’43 werden bij de politie in de grote steden afdelingen opgericht met vage namen als ‘Centrale Controle’, ‘Groep X’, ‘Politieke Politie’ en ‘Bureau Joodsche Zaken’, divisies die zich specialiseerden in de jacht op Joden. Kamp Westerbork werd bewaakt door de Nederlandse Marechaussee. De Duitse bezetter werd alom door Nederlandse overheidsdienaren bijgestaan bij de uitvoering van de Shoah.

‘Wilhelmina noemde de Joden drie keer in 48 toespraken’

Knoop heeft zelf uit de mond van Wilhelmina’s speechwriter, Loe de Jong, vernomen dat zij zijn teksten veelvuldig ontdeed van de verwijzingen naar het lot der Joden, zo lezen we in het binnenkort te verschijnen boek van Jaap Colthof over Joods Amsterdam van weleer. ‘In de 48 toespraken die zij [bij Radio Oranje] hield, noemde ze de Joden drie keer, meestal in een bijzin,’ constateert NOS royaltyverslaggever Karin Alberts. Gemiste kans op gemiste kans, oordeelt Knoop: ‘Als Wilhelmina bijvoorbeeld in november 1940 had gezegd dat het tekenen van de Ariërverklaring in strijd is met de Grondwet en dat men dat niet zou moeten doen, dan zouden er veel meer mensen hebben geweigerd. Als je de film terugdraait en je met de wijsheid van nu je gaat afvragen of de deportaties anders zouden zijn verlopen als de koningin via Radio Oranje het Nederlandse volk zou hebben opgeroepen massaal steun en hulp te bieden aan Joden kom je waarschijnlijk tot de conclusie dat dat zeer veel effect zou hebben gehad.’

Is het positieve uitgangspunt van de expositie in het Joods Historisch daarmee gebaseerd op een valse mythe? In de delta aan de Noordzee was het voor Joden eeuwenlang relatief goed toeven, zeker wanneer je het vergelijkt met de ellende die hen op veel plaatsen elders in Europa ten deel viel. Het Huis van Oranje dat hier eeuwen met de scepter zwaaide staat symbool voor die tolerantie.

‘Vijf oorlogsjaren wegen zwaarder dan die 395 andere’

De historicus Bart Wallet, die veel over de relatie Joden-Oranjes heeft gepubliceerd, constateert dat Joden traditioneel veel lof en waardering hadden voor het Huis van Oranje. Bij de tentoonstelling verschijnt een boek van zijn hand, gebaseerd op zijn jarenlange research.

In Wallets artikel van 30 januari 2015 in het NIW legt hij uit dat het in 1898 verschenen boek Oranjebloesemsvan Tobias Tal ‘een eeuw lang de bron was waaruit geput werd om de relatie tussen Nederlandse Joden en de Oranjes’ te duiden. Wallet constateert dat Tal in die publicatie de ‘wortel van de verbondenheid’ van de Joden met het Huis van Oranje legt bij Willem van Oranje, ‘die gestreden had voor godsdienstvrijheid en door wiens tolerantie vervolgde Joden een veilig thuis vonden in de Nederlandse Republiek. (…) Sindsdien hadden alle Oranjes als waarborg voor de vrijheden van de Nederlandse Joden gefungeerd.’

Knoop: ‘Ik erken dat de Joden het 400 jaar onder de Oranjes relatief goed hebben gehad. Veel beter dan elders. Dat is een onmiskenbaar feit. Daar dienen we ze dankbaar voor te zijn, maar helaas in die 400 jaar wegen die vijf oorlogsjaren voor mij zwaarder dan die overige 395.‘

Gerstenfeld benadrukt dat Wilhelmina al in de aanloop naar de oorlog zich van haar slechtste kant heeft laten zien: “Toen de Nederlandse regering de Joodse vluchtelingen uit Duitsland op een centrale plek wilde opvangen, liet Wilhelmina de plannen bijstellen. Nanda van der Zee heeft dat in haar boek Om erger te voorkomen heel duidelijk beschreven. De meest voor de hand liggende plek was destijds een leegstaande kazerne in Ermelo. De vorstin heeft zich daar toen tegen verzet, want ze vond dat het te dicht bij haar jachtterreinen was.

“Joodse vluchtelingen kun je echter prima in de buurt van je koninklijke wilde zwijnen huisvesten. Als er iemand wel van die beesten afblijft dan zijn het de Joden. Dat zijn de minste gevaarlijke mensen voor varkens. Dat was natuurlijk een misselijk gebaar van de majesteit. Hierdoor kwamen de vluchtelingen in het beruchte Westerbork terecht, dat toen nog niet berucht was. Het was vrijwel de leegste plek in Nederland. Er was geen station. Die mensen werden ergens op de hei gedumpt, terwijl het heel respectabele mensen waren die uit Duitsland waren gevlucht. Als je dat dan vergelijkt met hoe de regering nu met vluchtelingen omgaat.”

‘De Nederlanders waren altijd zuinig’

Verzuilde maatschappij of niet, als je vluchteling opneemt draag je daar als maatschappij samen de kosten voor?

Gerstenfeld: “Dat is waar. Maar de Nederlanders waren altijd zuinig. Ze waren niet pro-Joods, hoewel het antisemitisme nooit de omvang heeft bereikt van de buurlanden. Al is de situatie in Nederland inmiddels bijzonder zorgwekkend, maar we blijven even bij WOII.

“Bij de meeste leden van de Nederlandse regering in ballingschap had de absurde notie post gevat dat als zij ook onderscheid gingen maken tussen gemiddelde Nederlandse burgers en Joodse Nederlanders, ze – net als de Duitsers – zouden discrimineren. Dat is natuurlijk geen grond om niet heel het land aan te sporen en de ambtenarij voorop, waar mogelijk, Joden te helpen met bijvoorbeeld eten en onderduikadressen. En vooral geen instrument te worden van de Jodenvervolging. Maar de ambtenarij functioneerde maar al te vaak als radertje in de Duitse moordmachine. En Wilhelmina liet het geruisloos passeren. Je mag niet zeggen: wie zwijgt stemt toe. Maar niets zeggen was hier duidelijk het verkeerde signaal.

“Julie-Marthe Cohen, conservator van het Joods Historisch, draait er tegenover de NOS niet omheen: ‘Dat is ook een heel gevoelig punt. [Wilhelmina] had via dat sterke medium (Radio Oranje) de mogelijkheid gehad om mensen te bereiken en aan te zetten om bijvoorbeeld Joodse onderduikers op te nemen. Ze had kunnen zeggen: iedereen die Joden verraadt, wordt streng gestraft na de oorlog. Maar ze heeft dat niet gedaan. Het had veel feller gekund.

“Sommige ministers waren zo dom of immoreel of beide, daar kun je je bijna geen voorstelling van maken. Ook na de oorlog werd er nog alom geblunderd.”

‘Het was de plicht die de Nederlandse regering van u eiste’

In 1946 zegt Van Schaik, minister van Verkeer en Energie, in een toespraak tot NS-personeel: ‘Met uw treinen werden de ongelukkige slachtoffers naar de concentratiekampen gebracht. In uw harten was opstand. Toch hebt ge het gedaan, dat strekt u tot eer, het was de plicht die de Nederlandse regering van u eiste.’ Al deed men het met pijn in het hart, een spoorwegstaking had de Nederlandse economie maar schade toegebracht, was zijn afweging. Wel lekker consequent. ‘Giesberger, die als hoofdinspecteur verantwoordelijk was voor de dienstregeling bij de Nederlandse Spoorwegen , stond tijdens de bezetting via een geheime zender in contact met de Nederlandse ballingenregering in Londen. Al vanaf het begin van de transporten van Amsterdam naar Westerbork op 15 juli 1942 hadden ze herhaaldelijk aan Londen gevraagd wat er in verband met de deportaties gedaan moest worden, maar telkens kregen ze weer te horen dat die moesten doorgaan,‘ lezen we bij Gerard de Boer op zijn historische blog.

Het koningshuis van onze zuiderburen toonde wél betrokkenheid met het lot van hun Joodse onderdanen. Sterker nog, ze grepen persoonlijk in, vertelt Knoop: “Koning Leopold III is zelf naar Mechelen gegaan van waaruit de Joden werden gedeporteerd om Joden uit de trein te halen. Hij heeft zich daarvoor zo ingespannen dat Hitler dreigde hem als krijgsgevangene naar Duitsland te voeren. Leopold had een bijzondere positie want hij was opperbevelhebber van het Belgische leger en daarom krijgsgevangene. Hij mocht de oorlog doorbrengen op zijn paleis in Brussel. Hij werd dus niet in krijgsgevangenschap genomen, maar had wel de status van krijgsgevangene. Zijn moeder, Elisabeth, is de enige royal in Europa die een Yad Vashem-onderscheiding heeft gekregen. Zij heeft zich ontfermt over het lot van honderden, zo niet duizenden Joden, met name kinderen. Dat geeft de extreme verschillen weer tussen België en Nederland, waar het koningshuis niets heeft gedaan, terwijl het daar in Londen de handen volledig vrij voor had. Want wat Elisabeth in België deed was bloedlink, daar kon ze grote problemen met de Duitsers mee krijgen en die kreeg ze ook. Maar als koningin Wilhelmina op veilige afstand in Londen in haar radiopraatje de Nederlanders had aangespoord ballen te tonen liep ze geen enkel risico.”

‘Het grote verhaal is uiteindelijk het falen van Mark Rutte’

Knoop en Gerstenfeld richten hun pijlen op Wilhelmina, maar ze willen het beiden vooral ook breder trekken. Gerstenfeld: “Het grote verhaal is uiteindelijk het falen van Mark Rutte. Voor het falen van Rutte, was daar het falen van Balkenende en daarvoor het falen van Kok. Al decennialang weigeren onze premiers de waarheid onder ogen te zien en klare taal te spreken: simpelweg te erkennen dat de regering in ballingschap in Londen, ministers én koningin, jegens de Joden schromelijk te kort is geschoten.

“Terwijl in Nederland de Joden werden opgehaald door Nederlandse politieambtenaren en door onze NS werden afgevoerd naar de kampen, was dat nooit in de ministerraad in Londen een agendapunt. Bij de officiële geschiedschrijving van Loe de Jong lezen we dat het anderhalf jaar heeft geduurd na aanvang der Jodendeportaties in 1942, voordat de Nederlandse regering in ballingschap bij de Poolse regering in ballingschap eens informeerde naar het lot van de Joden die naar het Oosten waren versleept. Dit is des te schrijnender gezien beide regeringen in ballingschap in hetzelfde pand waren gehuisvest, Stratton House.

“Wanneer Rutte wordt opgeroepen toch eindelijk eens met excuses af te komen, wat bijvoorbeeld concreet vanuit het parlement is gebeurd, in 2012 door Wilders en De Roon en in 2015 door Bontes en Van Klaveren, geeft hij niet thuis. In zijn antwoord op vragen van de laatste twee Kamerleden verwijst hij naar de toespraak uit 1995 van Beatrix tot de Knesset, het Israëlische parlement. Maar wanneer je die speech erop naleest, zie je dat daarin zoiets staat als we konden het niet voorkomen, niet: we zijn tekort geschoten. Het is natuurlijk laf er op te rekenen dat niemand de moeite neemt die tekst van Beatrix erbij te pakken.”

‘Misschien is hij bang voor schadeclaims’

Knoop: “Ik weet niet wat Rutte ervan weerhoudt zijn excuses aan te bieden, misschien is hij bang voor schadeclaims. Andere landen hebben dat wel gedaan. Nederland heeft dat sombere aureool van zo’n beetje het slechtste land van West-Europa te zijn. Ik vind ook dat Rutte namens de regering zijn excuses moet aanbieden, ja. It’s about time. Rutte moet ruiterlijk erkennen: wij als Nederlandse samenleving en zeker de overheid hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog met betrekking tot de Joden in ons land gefaald en het zal bij vele generaties die volgen als een zwarte periode in onze geschiedenis blijven bestaan.”

Gerstenfeld: “Het verzwijgen van het eigen verleden is misschien wel karakteriserend voor Nederland. Het heeft wellicht te maken met de poldercultuur. We moeten allemaal door één deur en we kunnen niet door één deur als wij de enorme misdaden uit de Nederlandse historie blootleggen, zoals de massale oorlogsmisdaden in Indonesië, begaan tijdens de politionele acties. Daarom zijn we er vaag over. De regering heeft een uiterst oppervlakkig onderzoek laten doen naar de toedracht bij de politionele acties. En is daarna vrolijk verder gegaan alsof er niets was gebeurd.”

Moet Rutte onze koning niet de ruimte bieden om zich te verontschuldigen voor dit falen van zijn overgrootmoeder? De aanstaande opening in het Joods Historisch is daarvoor een perfecte gelegenheid.

Gerstenfeld: “Het Nederlandse systeem is dat de koning onschendbaar is en de regering verantwoordelijk is voor al hetgeen hij zegt. Een absurde situatie. Uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens leren we dat ieder individu verantwoordelijk is voor zijn of haar handelen. De wezens voor wie dat niet geldt zijn mensen die niet toerekeningsvatbaar zijn, kinderen en dieren. In Nederland valt ook de koning daaronder. Willem-Alexander zou er goed aan doen zo’n verklaring ooit af te leggen. Maar Rutte is aan zet. Ik pleit er al meer dan vijftien jaar voor, misschien dat het kwartje ooit valt.”

Wat voor toespraak verwacht je dan van Rutte?

Gerstenfeld:

‘Nederlanders, vandaag richt ik mij tot u met een pijnlijk verhaal: de constatering dat we als gemeenschap hebben gefaald in een periode waarin ons moreel kompas zwaar werd beproefd. Waar we als volk ruggengraat hadden moeten tonen, bleken velen van ons laffe opportunisten. Gelukkig waren er ook landgenoten, zij het een veel kleiner aantal, die wel blijk hebben gegeven van het goede normbesef. Maar over hen, op wie we terecht trots zijn, gaat het vandaag niet.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat Nederland niet de enige uitzondering kan blijven in heel West-Europa. En dat ik net als alle regeringsleiders die mij voorgingen ruiterlijk moet erkennen waar wij tekort zijn geschoten. Wij zijn sinds enkele jaren het enige West-Europese land dat nog niet de waarheid heeft verteld over het falen van zijn regering tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is vreselijk dom van mij geweest en van mijn voorgangers. Zelfs kleine staatjes als Luxemburg en Monaco hebben verontschuldigingen aangeboden. Monaco zelfs twee keer. Wij bleven zwijgen terwijl vanuit ons land meer dan 100.000 Joden zijn weggevoerd, vrijwel allen een gewisse dood tegemoet in de moordfabrieken van de nazi’s. We doen maar steeds of we het niet hadden kunnen voorkomen en wij het maximale gedaan hebben.

We hebben níet het maximale gedaan, verre van dat. Voor dit schromelijk falen biedt ik namens de regering excuses aan. Aan de overlevenden van de Shoah, die nog onder ons zijn, en aan hun kinderen en kindskinderen. Net als de Nederlandse Spoorwegen en het Nederlandse Rode Kruis dat eerder hebben gedaan, wil ik namens de Nederlandse regering duidelijke taal spreken, erkennen dat we in de donkere jaren van de Tweede Wereldoorlog de Joden onder ons niet collectief de helpende hand geboden hebben waar ze volledig op hadden moeten kunnen rekenen.

Veelal was zelfs het tegenovergestelde het geval en hebben delen van ons overheidsapparaat, waaronder gemeenteambtenaren, spoorwegmedewerkers en politiefunctionarissen, geparticipeerd in de uitvoering van de Shoah. Dat erkennen doet pijn. Maar juist daarom is het zo belangrijk dat ik deze woorden met u deel.’

 

In deze context mag de premier ook best even refereren aan het groeiend antisemitisme in Nederland, zo redeneert Gerstenfeld: “Afrekenen met het verleden is noodzakelijk, maar het is ook cruciaal dat we vervolgens de juiste lessen trekken uit de geschiedenis, voorkomen dat we in oude foute patronen terugvallen.

“Daarna kan Willem-Alexander ook iets zeggen als hij iets voelt. Als Rutte dit gezegd heeft, dan zou het zeer gepast zijn als onze koning zich niet alleen in glorieverhalen over de Oranjes en de Joden mee laat slepen, zonder dat daar ook wordt aangeduid het extreme falen van zijn overgrootmoeder.”

Johan Derk van den Capellen tot den Pol, leider van de patriotten.

Eind 18e eeuw ontstond in Nederland een beweging die geïnspireerd op de Verenigde Staten meer democratisering eiste. Zij noemden zich na verloop van tijd de Patriotten. Deze Patriotten verzetten zich tegen de Nederlandse aristocratie met haar voorrechten en erfelijke ambten en dus ook tegen de Stadhouder en het stadhouderlijk stelsel. Daarnaast waren de meesten van hen ook anti Engeland en pro Frankrijk. Daar kwam nog bij dat stadhouder Willem V als een zwak leider werd gezien.

Van 1783 tot 1786 werden in het land zogenaamde exercitiegenootschappen opgericht. Dit waren plaatselijke burgerweerbaarheidsbewegingen waarbij burgers werden getraind in het hanteren van vuurwapens. In 1786 kwamen de exercitiegenootschappen bij elkaar in Utrecht en kwamen zij, ondanks interne verdeeldheid, overeen dat de vroedschappen (het stadsbestuur) niet meer door de stadhouder benoemd moesten worden maar door het plaatselijk exercitiegenootschap. De vroedschap van Utrecht werd op zeven leden na afgezet. Later gebeurde hetzelfde in Rotterdam en Amsterdam. Op 9 mei 1787 vond een gevecht plaats toen stadhouderlijke troepen probeerden om Utrecht terug te veroveren. Tegen deze tijd balanceerde Nederland op de rand van een burgeroorlog. Stadhouder Willem V was toen al verdreven uit Den Haag. De stadhouderlijke familie woonde daarom in Nijmegen.

Aanleiding[bewerken]

Om het tij te keren vertrok Wilhelmina van Pruisen op 28 juni 1787 naar Den Haag om de Staten van Holland er toe te bewegen haar man weer aan de macht te brengen en de orde te herstellen. Mogelijk wilde ze voorstellen dat ze een deel van zijn taken over zou nemen omdat hij daar zelf niet toe in staat werd geacht. Het Goudse vrijcorps vermoedde al dat ze voorbij zou komen. De voorman van de Goudse patriotten, Cornelis Johan de Lange, was op de hoogte gebracht via de vriend van het kamermeisje van de prinses die schriftelijk haar verloofde haar komst had aangekondigd. Bovendien waren er paarden besteld in Tiel, Nieuwpoort en Haastrecht.[3] Op paleis paleis Huis ten Bosch in Den Haag waren levensmiddelen besteld: het was duidelijk dat er hoog bezoek op komst was.

De aanhouding[bewerken]

 
Onderhoud met Wilhelmina van Pruisen aan de Goejanverwelle Sluis

Kapitein van Leeuwen van het Goudse vrijkorps had drie mannen opgesteld. Sergeant Adam Schouten hield haar gezelschap van twee sjezen en een koets 's middags tegen vier uur aan en waarschuwde zijn kapitein, dat de aanhouding had plaatsgevonden. Van Leeuwen besloot dat het gezelschap de reis kon voortzetten richting Haastrecht onder begeleiding van het Goudse detachement. Het gezelschap reed stapvoets door, maar op de IJsseldijk was ondertussen veel volk op de been om haar toe te juichen. Het vrijkorps kwam snel in actie en zette de weg naar links af, om een doortocht richting Den Haag onmogelijk te maken.[4][6] In plaats daarvan werd de prinses richting Hekendorp gevoerd. Eenmaal daar overgezet bij de Goejanverwellesluis werd Wilhelmina naar de boerderij van Adriaan Leeuwenhoek overgebracht.[4][7] Daar is het gezelschap van wijn, bier en tabak voorzien. De prinses, aanvankelijk zittend op een stapel kazen, kreeg bewaking mee toen ze naar het toilet moest en zal erg beledigd zijn geweest.

Omdat de boerderij geen geschikte plaats was om te overnachten, gaf de Commissie van Defensie, bij monde van Martinus van Toulon, burgemeester en oud-baljuw van Gouda, haar de keus door te rijden om te overnachten in het Kasteel van Woerden of terug te keren naar Schoonhoven. De prinses gaf te kennen liever terug te rijden dan kans te lopen opgesloten te worden in de kerkers en vertrok kort na tien uur, nadat de burgemeesters van Schoonhoven op de hoogte waren gebracht van haar komst.[4]Cornelis Johan de Lange van Wijngaarden, commandant van het vrijcorps van Gouda, begeleidde haar naar de pont. Na twee dagen wachten op antwoord keerde de prinses onverrichter zake terug naar Nijmegen.

Gevolgen[bewerken]

Dit incident vormde de directe aanleiding voor de Pruisische inval in de Republiek. Frederik Willem II van Pruisen schoot zijn zuster Wilhelmina te hulp en eiste genoegdoening (satisfactie) van het gewest Holland. Nadat een groot leger van 20.000, of 26.000, een enkele auteur beweert zelfs 30.000 goedgetrainde Pruisische soldaten [8][9][10] onder leiding van de hertog van Brunswijk de rust herstelde in de rebellerende steden, keerde het stadhouderlijk paar naar 's-Gravenhage terug en was de Oranjerestauratie een feit.

Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. Omhoog Knoops, W.A. & F.Ch. Meijer (1987) Goejanverwellesluis. De aanhouding van de prinses van Oranje op 28 juni 1787 door het vrijkorps van Gouda, p. 36-65.
  2. Omhoog Rosendaal, J. (2003) Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795, p. 12.
  3. ↑ Omhoog naar:a b Aanhouding van prinses Wilhelmina Goejanverwellesluis, 28 juni 1787. In: G. Mak (1991) Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis. Meer dan honderd reportages uit Nederland, p. 108-12.
  4. ↑ Omhoog naar:a b c d Smit, J. (1957) Een regentendagboek uit de achttiende eeuw, Oudheidkundige kring "Die Goude"
  5. Omhoog Wildschut, A. (2005) Goejanverwellesluis; de strijd tussen patriotten en prinsgezinden, 1780-1787ISBN 9065504508
  6. Omhoog Smit, J. (1916) Den Haag in de Patriottentijd, p. 44.
  7. Omhoog Bij Goejanverwellesluis lag een voetveer dat in 1992 werd vervangen door een brug, de Wilhelmina van Pruisenbrug.
  8. Omhoog Meddens-van Borselen, A. Ik zal dit in uwe ogen doen druipen: De aanhouding van Wilhelmina van Pruisen door de Commissie van Defensie te Woerden in 1787
  9. Omhoog Israel, J. (1996) The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall, p. 1113.
  10. Omhoog Horst, H. van der (2007) "Nederland", blz. 260, ISBN 978 90 351 3268 9)

Literatuur

Interview

Op 20 augustus 1672 werden twee van de bekendste en belangrijkste republikeinse vrijheidsvechters ooit op brute wijze vermoord.

Vandaag is een bijzondere dag in de geschiedenis van Nederland. Precies 344 jaar geleden werden twee voorname republikeinse vrijheidsstrijders, Johan en Cornelis de Witt, namelijk op brute wijze vermoord door een meute Oranje-aanhangers.

Johan was “in de Gouden Eeuw tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk negentien jaar lang raadpensionaris van het graafschap Holland en daarmee de belangrijkste politicus van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.” Dit Eerste Stadhouderloze Tijdperk kwam tot stand na de dood van stadhouder Willem II. Een meerderheid van de Nederlandse provincies wilde toen geen nieuwe Oranje-stadhouder. In plaats van een sterke centrale overheid bleven de provincies en steden autonoom. Als er besloten moest worden over zaken die de hele Republiek aangingen stemden de provincies daar met zijn allen over. Alleen bij een meerderheid van de stemmen ging het plan door. Bij erg belangrijke zaken was unanimiteit zelfs vereist.

Johan en zijn broer Cornelis waren grote voorstanders van dit Stadhouderloze Tijdperk. Johan noemde het zelfs de periode van “De Ware Vrijheid.” Er was geen individu boven de wet verheven, niemand vertelde de provincies en steden wat zij moesten doen.

Tijdens hun werkzame leven waren Johan en Cornelis buitengewoon kritisch over de Oranjes en hun aanhangers. Zij begrepen namelijk dat de Oranjes alle macht naar zich toe wilden trekken. De vader van de twee broers had hen op jonge leeftijd dan ook verteld: “Vertrouw nooit een Oranje.” Cornelis en Johan hadden dat advies zo ongeveer tot hun levensmotto gemaakt.

Zowel Johan als Cornelis hadden een buitengewoon succesvolle carriere. Helaas werden ze daardoor ook een doelwit voor orangisten die wilden dat Willem van Oranje aangesteld werd als stadhouder Willem III. Op 21 juni 1672 werden beide broers aangevallen — hoewel ze zich op dat moment in verschillende steden bevonden. Met geluk overleefden ze de aanval, maar het was duidelijk dat ze nog altijd in levensgevaar waren. Onder dwang werd Cornelis de Witt gedwongen om akkoord te gaan met de benoeming van Willem III. Johan was op dat moment, 29 juni 1672, nog steeds aan het herstellen: hij moest maar liefst 40 dagen in bed blijven waardoor hij de politieke strijd tegen Willem niet kon voortzetten.

Willem wilde de machtigste man van het land worden, de vader van zijn eigen koningshuis, en hij was niet van plan om zich door wie dan ook te laten tegenhouden.

Op 23 juli 1672 werd het leven van Cornelis en Johan de Witt écht op stelten gezet. Een louche barbier-chirurgijn, genaamd Willem Tichelaar, beschuldigde Cornelis er namelijk van dat hij hem 30.000 gulden had aangeboden om Willem III te vermoorden. Cornelis werd gearresteerd, maar bepleitte zijn onschuld: Tichelaar wilde Willem III juist vermoorden, zei hij, en hij had geweigerd om mee te werken aan het plan.

Aangezien Willem III in de tussentijd dus stadhouder was geworden wist broer Johan dat zijn politieke carriere voorbij was. Op 4 augustus nam hij ontslag als raadpensionaris. Kleinzielig als altijd zorgde Willem III er hoogstpersoonlijk voor dat Johan geen “eervol ontslag” kreeg.

Zo rolden de Oranjes toen dus al.

Ondertussen kwamen de rechters in de zaak tegen Cornelis, die van hoogverraad beschuldigd werd, tot de conclusie dat ze geen bewijs hadden. Ze wilden hem heel graag de doodstraf geven, maar ja, zelfs toen hij zwaar gemarteld werd bleef hij volhouden onschuldig te zijn.

Wat te doen, wat te doen?

Nou, de rechters hadden een aardige oplossing bedacht. Ze veroordeelden hem voor een misdrijf, maar wilden niet zeggen waarvoor precies. Als straf werd hij verbannen uit Nederland en verloor hij al zijn functies. Hij werd vooralsnog niet vrijgelaten, wat wél gold voor Tichelaar, de man die hem erbij had willen lappen.

Wikipedia legt uit wat er toen gebeurde:

Johan de Witt werd in de val gelokt met de mededeling dat zijn broer hem wilde spreken. Na een half uur wilde Johan de gevangenis verlaten, maar het werd hem onmogelijk gemaakt door een grote menigte. Aanvankelijk beschermde de cavalerie de gevangenis, maar de commandant kreeg van hogerhand het bevel te vertrekken onder het valse voorwendsel van een bericht over plunderende boeren. Tichelaar was uit een raam gaan hangen en schreeuwde het aanwezige volk toe dat nu hij was vrijgelaten dit het overtuigende bewijs was dat hij het gelijk aan zijn zijde had gekregen dat niet hij, maar Cornelis de prins had willen vermoorden. Hij riep de aanwezige mensenmassa op wraak te nemen op de broers, mede omdat de straf die De Witt was opgelegd veel te laag zou zijn voor het plegen van hoogverraad.

Aan het einde van de middag drong de Oranje-meute de gevangenis binnen. De broers de Witt werden naar buiten gesleurd. Daar, midden op straat, werd de arme Cornelis letterlijk doodgeslagen door de meute. Ook Johan moest eraan geloven. Hij werd door ene notaris Van Soenen in zijn gezicht gestoken, waarna luitenant-ter-zee Maerten van Valen hem van achteren in het hoofd schoot.

Dat is al erg genoeg, maar de orangisten waren nog lang niet klaar.

Na hun dood werden de lichamen van Johan en Cornelis de Witt namelijk opgehangen, opengereten en gecastreerd.

Tenen, vingers, oren, neuzen, lippen en tongen werden afgesneden. De ingewanden werden uit de lichamen gehaald en volgens de ooggetuige en dichter-industrieel Joachim Oudaan deels door de omstanders opgegeten of aan honden te eten gegeven. Hendrick Verhoeff ging er prat op dat hij de harten uit de lichamen had gesneden, iets dat hij de magistraat – de ochtend van de moord – beloofd had te doen.

Die harten stelde hij vervolgens nog jarenlang ten toon.

Willem III was natuurlijk maar wat blij met deze actie van zijn volgelingen. Zo liet hij het Hof het gerechtelijk vonnis tegen Johan Kievit (die veroordeeld was voor het beramen van een moord op Johan de Witt en die waarschijnlijk betrokken was bij de lynching van Johan en Cornelis op 20 augustus 1672) intrekken. Kievit was gevlucht naar Engeland, maar toen hij terugkwam naar Nederland werd hij als een ware held onthaald.

Hoewel wetenschappers zeggen dat er geen definitief bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat Willem III de opdracht tot de lynchpartij had gegeven maken de omstandigheden duidelijk dat dit waarschijnlijk echt wel zo is. Op zijn minst zweepte hij het volk bewust op om de broers De Witt uit de weg te ruimen:

Uit politiek-historisch onderzoek is gebleken dat de prins de publicatie van pamfletten uitlokte, waarin geageerd werd tegen de gebroeders De Witt. Vastgesteld is verder dat de prins ervoor zorg droeg dat de moordenaars niet werden vervolgd en beloond werden met jaargelden en ambten.

Ook weten we dat de cipiers, die Johan én Cornelis hadden moeten beschermen tegen de woedende menigte, het bevelhadden gekregen om dat niet te doen.

Johan en Cornelis de Witt waren twee bijzonder principiële, moedige en vrijheidslievende patriotten — republikeinen. Ook nu, 344 jaar na hun dood, verdienen ze het dat we even stil staan bij hun leven én hun dood

De politieke moord op de uiterst bekwame raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt.

1. De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt 

1619

Van samenwerking naar machtsstrijd

Vanaf 1576 - acht jaar na het begin van de Tachtigjarige Oorlog - bekleedde Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) het ambt van Pensionaris (stadsadvocaat) van Rotterdam. Tien jaar later, in 1586, werd hij Raadspensionaris van de Staten van Holland en daarmee de hoogste ambtenaar van het belangrijkste gewest van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Meer dan twee decennia werkte hij in deze functie nauw samen met de twintig jaar jongere stadhouder Maurits. Eerst ging dat goed en trad de invloedrijke Van Oldenbarnevelt op als een soort mentor van de jonge stadhouder die in de strijd tegen de Spanjaarden grote kwaliteiten als legeraanvoerder ontwikkelde. Beide karakters vulden elkaar goed aan, maar na een jaar of tien werd de samenwerking moeizamer. In 1609 sloten de Staten Generaal, vooral door toedoen van Van Oldenbarnevelt en zeer tegen de zin van Maurits, een wapenstilstand met Spanje: het Twaalfjarig Bestand. Hierna verslechterde de relatie tussen beide machtige mannen snel.

Tegenstellingen

Tijdens het Bestand ontstond er in protestantse kring een theologische strijd tussen Remonstranten of 'rekkelijken' en Contraremonstranten of 'preciezen' over het vraagstuk van de 'predestinatie' of 'voorbestemming'. Van Oldenbarnevelt vertegenwoordigde de rekkelijken, terwijl Maurits voor de preciezen opkwam. Toen Maurits in 1618 de macht greep, liet hij de zeer gerespecteerde Van Oldenbarnevelt arresteren. Na een politiek proces werd de Raadspensionaris in 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd. De terechtstelling was een van de meest tragische gebeurtenissen uit de tijd van de Republiek. De executie illustreerde niet alleen de spanningen binnen de protestantse kerk, maar ook die tussen de Staten van Holland, waarin de stedelijke regenten de meeste macht hadden, en de stadhouder.

Blijvende aandacht

Samen met Johan de Witt (zie venster 27) wordt Van Oldenbarnevelt tot de belangrijkste Hollandse staatslieden van de Gouden Eeuw gerekend. Naast de militair Maurits wordt hij gezien als de scherpzinnige politieke strateeg die ervoor zorgde dat de Republiek een onafhankelijke staat werd. Zijn persoonlijkheid, zijn karaktereigenschappen, het conflict met de jongere stadhouder en zijn tragische einde leidden ertoe dat de aandacht voor zijn persoon niet verslapte.

Johan de Witt was tijdens het Eerste Stadhouderloze tijdperk raadspensionaris van Holland. Dit hield in dat hij de belangrijkste politicus en de machtigste man van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was. Onder zijn bewind beleefde de Republiek een periode van grote welvaart. Hij werd geboren in 1625 en was 19 jaar raadspensionaris, tot hij werd vermoord in 1672.

 

Jeugd en opleiding

Johan de Witt werd op 24 september 1625 geboren in Dordrecht als zoon van Jacob de Witt en zijn vrouw Anna. Hij kwam uit een machtige regentenfamilie; zijn vader Jacob was regent in Dordrecht, zijn oom Andries raadspensionaris van Holland. Hij volgde een opleiding aan de Latijnse School in Dordrecht en studeerde vanaf 1641 rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij was erg intelligent, sprak meerdere talen en was bijzonder getalenteerd in de wiskunde; later in zijn leven heeft hij enkele wiskundige boeken geschreven en veel (internationale) lof geoogst. Samen met zijn broer Cornelis, die later ruwaard (waarnemend landvoogd) werd van Holland, reisde hij tijdens zijn studie door Italië, Frankrijk, Zwitserland en Engeland.

 

De Ware Vrijheid

In 1650 was er na de dood van Stadhouder Willem II geen nieuwe stadhouder verkozen uit het Huis van Oranje. Dit betekende dat er officieel geen staatshoofd was. De Witt was hier een groot voorstander van en noemde het ‘De Ware Vrijheid’. Beslissingen werden door de zeven gewesten samen genomen en de provincies en steden bleven autonoom. De Witt hoorde bij de staatsgezinden, ook wel de Loevesteiners genoemd, en was anti-Oranje. Later zouden er nog veel conflicten ontstaan tussen de Loevesteiners en de Orangisten.

 

Raadspensionaris van Holland

Na zijn terugkomst werd Johan de Witt op 21 december 1650 benoemd tot pensionaris van Dordrecht. Hij was daarmee ook afgevaardigde voor de Staten van Holland. Toen er in 1653 een nieuwe raadspensionaris moest worden gekozen, werd hij voorgedragen door de stad Dordrecht, die als oudste in het graafschap Holland de meeste rechten had. Hij werd gekozen en vanaf 30 juli 1653 was Johan de Witt op 28-jarige leeftijd raadspensionaris van Holland.

 

Macht van Johan de Witt

Ondanks het feit dat de raadspensionaris eigenlijk maar weinig werkelijke macht had, groeide Johan de Witt uit tot de belangrijkste man van de Republiek. Hij hield overal de controle over, onder meer over de staatsfinanciën en binnen- en buitenlandse aangelegenheden. Hij was een ijverige en zuinige raadspensionaris en onder zijn leiding kende de Republiek een periode van grote welvaart.

 

Akte van Seclusie en Willem III

In 1654 sloot Johan de Witt vrede met Oliver Cromwell van Engeland, de Vrede van Westminster. Bij dit verdrag zat ook de Akte van Seclusie, een geheim document waarin De Witt en de Staten van Holland beloofde nooit meer een nakomeling van het Huis van Oranje als stadhouder te verkiezen. De zoon van Willem II, Willem III, werd door de Orangisten nog steeds gezien als de rechtmatige stadhouder, terwijl hij voor de Loevesteiners een bedreiging vormde. Ook Cromwell had voordeel bij de clausule. Willem III was namelijk de kleinzoon van Karel I, die door Cromwell was afgezet en onthoofd. Door de jonge prins zijn macht te ontnemen, kon Cromwell zijn eigen macht behouden. In 1660 werd de Akte echter ongeldig verklaard nadat Cromwell was afgezet.

 

Oorlog onder Johan de Witt

Engeland en de Republiek waren grote handelsconcurrenten en hadden vaak conflicten met elkaar. Tijdens de Eerste Engelse Oorlog in 1652 werd Nederland verslagen door de Engelsen. Onder Johan de Witt werd de Nederlandse vloot enorm uitgebreid en tijdens een tweede zeeslag, de Tweede Engelse Oorlog van 1665-1667. Admiraal Michiel de Ruyter versloeg de Engelsen en vernietigde een groot deel van de Engelse vloot. Ook Frankrijk was een belangrijke rivaal. Door de oorlogen met Engeland was het landleger sterk verwaarloosd. Om de Republiek te beschermen voerde De Witt een pro-Franse politiek, hoewel er ook conflicten waren rondom de Spaanse Nederlanden. Frankrijk wilde deze gebieden innemen, de Republiek was het hier niet mee eens.

 

Rampjaar voor Johan de Witt

In 1672 begon het Rampjaar voor de Republiek en Johan de Witt. De Engelsen en de Fransen verklaarden beiden de oorlog aan de Republiek. Dit bracht Johan de Witt in een lastige positie. Een aanval over zee kon met gemak worden afgeslagen, maar Frankrijk viel aan over land. Hier was het landleger van de Republiek niet tegen opgewassen en grote delen van de Republiek werden door Frankrijk ingenomen. De oorlog leidde tot veel onrust onder de bevolking van de gewesten, en de Staten-Generaal voerde tegen de wil van De Witt vredesonderhandelingen met Frankrijk. Een bekende uitspraak uit die tijd was: Het volk was redeloos, het land reddeloos en de regering radeloos. De Witt kreeg overal de schuld van en het volk vroeg om de terugkeer van de Prins van Oranje.

 

Na een aanslag op het leven van Johan de Witt in juni 1672 moest hij een tijdlang herstellen. Tijdens zijn afwezigheid zagen de Orangisten hun kans schoon om de regenten over te halen Willem III opnieuw te installeren als stadhouder. Dit gebeurde op 29 juni 1672. Hierna besloot De Witt dat zijn functie niet meer houdbaar was en trad af als raadspensionaris. Tegelijkertijd werd de broer van De Witt, Cornelis, gearresteerd. Hij werd (vals) beschuldigd van het beramen van een aanslag op Willem III en opgesloten. Toen Johan zijn broer wilde opzoeken in de gevangenis werd hij door een menigte aangevallen. De cipiers van de gevangenis moesten hem beschermen, maar hadden het bevel gekregen dit niet te doen. Johan en zijn broer werden op straat vermoord. Nadat ze dood waren werden de lijken ernstig verminkt, zo werden hun ledematen en geslachtsdelen afgesneden en werden hun lichamen opengesneden en de ingewanden eruit gehaald. Het is zeer goed mogelijk dat Willem III achter deze afgrijselijke moord zat.

De erfenis van Van der Capellen.

 
Sterfbed Van der Capellen tot den Pol met als onderschrift: Capellen! een waare Patriot sterft Trouw; aan Vaderland en God.

De politieke oplossingen die Van der Capellen aandroeg, worden door zijn tegenstanders uit de twintigste eeuw niet zo bijster vernieuwend gevonden. Zijn gedachtegoed en dat van de patriotten vormde volgens dezen een mengeling van oude en nieuwe ideeën. De patriotten wilden meer democratie maar wisten niet hoe ze dit streven goed bestuurlijk vorm moesten geven en hadden hun blik sterk op het verleden gericht. Desondanks ontleende Van der Capellen zijn ideeën niet aan Frankrijk zoals vaak wordt beweerd, maar zijn deze oorspronkelijker en wel degelijk uit de Nederlandse politiek afkomstig. Zijn democratisch gevoel is zeer duidelijk leesbaar in zijn pamfletten en vanuit dit gevoel was hij een van de grote voorvechters van de onafhankelijkheid en de democratie van de Verenigde Staten van Amerika. De VS verklaarden zich onafhankelijk in1776, ruim vóór de Franse Revolutie van 1789, zodat de politiek vernieuwende standpunten van Van der Capellen alleen al vanuit dit perspectief hun tijd ver vooruit waren.

In 1787 maakte het leger van Pruisen een einde aan het patriottische experiment. De echte breuk met het Ancien Régime vond daarom pas plaats in 1795 toen na de Franse inval de Bataafse Republiek werd uitgeroepen.

Wel heeft Van der Capellen er mede voor gezorgd dat in Zwolle en omstreken een progressief-liberaal intellectueel klimaat ontstond dat figuren als Herman Willem Daendels,Rutger Jan Schimmelpenninck en later Everhardus Johannes Potgieter en Johan Rudolph Thorbecke zou voortbrengen.

Van der Capellen is vooral relevant omdat hij op een nieuwe manier politiek bedreef. Hij bracht door zijn optreden de politiek dichter bij de burger. Zaken die normaal geheim waren werden door hem naar buiten gebracht. Hij ijverde voor de vrijheid van meningsuiting en drukpers. Hij legde de vinger op de zere plek. Van der Capellen zorgde ervoor dat de politieke discussie weer breed werd gevoerd, dat politiek weer ergens over ging.

Als geen ander slaagde Van der Capellen erin de kloof tussen burger en politiek te overbruggen. Zijn creativiteit, zijn gevoel voor dramatiek, zijn durf, zijn doorzettingsvermogen en het feit dat hij altijd handig gebruik wist te maken van de publieke opinie hebben andere politici weten te inspireren. Met name Pim Fortuyn zei door hem geïnspireerd te zijn. Fortuyn noemde een van zijn geschriften Aan het volk van Nederland als verwijzing naar Van der Capellen[1].

In zijn laatste woonplaats Zwolle herinnert tegenwoordig de Van der Capellen Scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs aan hem. Tevens baseerde Hella Haasse haar boek "Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern" uit 1989 op het leven van Van der Capellen.

Aan het volk van Nederland

Manifest van Joan Derk van der Capellen tot den Pol, aanvoerder van de patriotten in de 18e eeuw.

Max Westerman