Bovengrens opvang van vluchtelingen.

Bovengrens wat betreft opvang van vluchtelingen is noodzakelijk

Door: Floris van den Berg , 22:17, 24 januari 2019

Paul Scheffer. ANP BART MAAT

”Etwas ist nur in seiner Grenze und durch seine Grenze das, was es ist.”

– Hegel

 

Als er in een open samenleving te veel mensen zijn of te veel mensen die de grondslagen van de open samenleving niet accepteren, komt het bouwwerk in gevaar en bestaat de kans op ineenstorting. Er gaat een enorme aantrekkingskracht uit van rijke westerse landen met een open samenleving voor mensen die ofwel uit door oorlog geteisterde gebieden komen ofwel die in zo’n sociaaleconomisch uitzichtloze positie zitten dat ze naar het rijke westen trekken. Gezien de prognose van bevolkingsgroei, voornamelijk in Afrika, is het aannemelijk dat de stroom van migranten zal aanzwellen. Als een samenleving als open samenleving wil blijven voortbestaan dan zal er een beleid gevoerd moeten worden om de instroom van immigranten te beperken en om immigranten te integreren in de liberaal democratische samenleving. Niets doen is een vorm van sociale zelfmoord. Over de vraag wat er gedaan moet worden, daarover zijn de meningen uiterst verdeeld en staan politici aan beide kanten van het politieke spectrum diametraal tegenover elkaar.

”Juist om ten volle de vrijheid te ontplooien, moeten liberale samenlevingen zich verweren tegen illiberale houdingen, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse politiek.” (p. 50),

zo betoogt Paul Scheffer die als linkse politicus verrassend genoeg pleit voor het bewaken van de Europese buitengrens.

Het is van belang om uit te zoomen om te zien wat het fundamentele probleem is. Volgens mij zijn er thans vier bedreigingen voor de open samenleving, dat wil zeggen een stabiele democratische samenleving waarin de vrijheid van het individu centraal staat:

  1. Het is economisch niet mogelijk de verzorgingsstaat overeind te houden wanneer er door immigratie (of door bevolkingsgroei onder kansarme immigranten) teveel mensen komen die een beroep doen op de verzorgingsstaat.
  2. Toename, vooral als gevolg van immigratie, van het percentage van de bevolking dat de principes van de open samenleving niet onderschrijft (reductie van het sociaal draagvlak).
  3. Illiberale reacties op immigratie: nationalisme, populisme, autoritarisme.
  4. Degenen die menen dat alleen punt 3 het probleem is.

In zijn essay De vorm van vrijheid (2018) verkent publicist Paul Scheffer, hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg, de grenzen van de open samenleving. Hij begint met een politieke filosofische kwestie:

”Uit naam waarvan kunnen we anderen het recht ontzeggen zich in onze contreien te vestigen?” (p. 10)

Natiestaten zijn immers historisch gegroeide eenheden van mensen die zich organiseren op een grondgebied, maar waar je als individu geboren wordt is toeval. Er ligt geen politieke ordening besloten in het universum, waarom zou je je als individu voegen naar de samenleving waarin je terecht bent gekomen? Waarom zou je je niet elders mogen vestigen? Dat is één kant van de medaille, de andere kant laat zich bezien vanuit het perspectief van de open samenleving.

”Kan een democratie duurzaam zijn zonder begrenzing?” (p. 17)

De vraag is of de samenleving waar ze zich aanmelden het recht heeft om immigranten te weigeren. Als je de samenleving vergelijkt met jouw eigen huis dan roept dat de vraag op waarom je dan het recht zou hebben om mensen die bij je aankloppen om bij je te wonen in je huis te weigeren? Waarom zou je wel mensen in je huis mogen weigeren, maar niet in je land? Vanuit pragmatische en praktische redenen is een land van de mensen die er wonen en zij kunnen beslissen wie er bij mogen of niet. Er is geen recht op vrije intocht.

Paul Scheffer vindt zichzelf een kosmopoliet die ook de door toeristen gemijde buitenwijken in grote steden over de wereld heeft gezien waar immigranten wonen.

”Ik ken genoeg mensen die zichzelf als verdraagzaam zien, maar die zelden de binnenstad verlaten en geen enkele betrokkenheid voelen bij het wel en wee van de buitenwijken.” (p. 41)

Maar wat wil Scheffer dan? Dat wij allemaal de slechte buitenwijken bezoeken? En dat als wij dat doen we wel betrokkenheid voelen? Of bedoelt hij dat de verdraagzaamheid vermindert als je de buitenwijken hebt bezocht? Waarom zou je iets persoonlijk moeten zien om je betrokken te voelen? Zo ben ik nog nooit in een megastal of slachthuis geweest en toch voel ik mij betrokken bij het lot van de dieren. Zo schreef Adriaan van Dis in De wandelaar (2007) meelevend over immigranten in de buitenwijken van Parijs, maar ja, en dan? Kennis van erbarmelijke omstandigheden heeft niet altijd tot gevolg dat buitenstaanders zich er tegen gaan verzetten.

Het essay is verkennend, soms verhelderend, soms nuanceert hij het zwart-wit tot een groot grijs. Het is onduidelijk wat hij precies bedoelt en waar hij naar toe wil. Het boek is als de haas in een marathon: Scheffer neemt je in gewiekste vaart een heel eind mee op sleeptouw, maar je zult het toch zelf moeten doen en verder moeten.

Hij heeft in ieder geval geen last van het hardnekkige cultuurrelativisme dat vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum welig tiert, terwijl hij zelf een ideoloog van de PvdA is. In zijn boek Het land van aankomst (2007) schreef hij al:

”Als een enigszins beheerste opvang van vluchtelingen, gezinsherenigers en arbeidsmigranten onmogelijk blijkt en gelijktijdig een goede inburgering in de samenleving niet echt lukt, dan zal vroeg of laat de kritische grens worden bereikt van wat sociaal en cultureel aanvaardbaar is.’”

En in De vorm van vrijheid borduurt hij daarop voort:

”Diversiteit is inderdaad geen waarde op zichzelf. De bijdragen van culturen moeten worden verdedigd naar de mate waarin ze de kennis vergroten en de vrijheid dienen.” (p. 42-43).

De vraag die zich dan direct aandient is: in welke mate draagt de islam bij aan het vergroten van kennis en vrijheid? En als het antwoord op beide vragen ‘in generlei mate is’, zoals duidelijk moge zijn, wat zijn daar dan volgens Scheffer de consequenties van?

”Kinderarbeid, eerwraak, duiveluitdrijving, weduwenverbranding, doodstraf, slavernij en de boerka zijn of waren allemaal culturele tradities – waarvan sommige in onze eigen contreien. En ze zijn allemaal niet het verdedigen waard. Het gaat er uiteindelijk om of mensen hun lot in eigen hand kunnen nemen. Diversiteit is een leeg begrip, want het omvat alles, het kent geen grenzen.” (p. 43)

Door persoonlijke autonomie centraal te stellen, betoont Scheffer zich humanist, zonder dat expliciet te maken, wat ik jammer vind.

In de opsomming van verderfelijke immorele praktijken ontbreken nog wel een paar essentiële zaken: vrouwenbesnijdenis, jongensbesnijdenis, rituele slacht, homofobie, holocaust-ontkenning en intolerantie inzake islam-kritische cartoons. Scheffer lijkt stevige kritiek te hebben, maar hij blijft toch altijd net in het veilige gedeelte. Hij wil graag zwemmen met het waterpoloteam, maar hij blijft wel in het gedeelte van het bad waar hij net kan staan. De slachtoffers van mijn opsomming hebben daar helemaal niets aan.

Een van de weinige conclusies die Scheffer trekt, gaat over de vluchtelingencrisis:

”juist om genereus te kunnen blijven, hebben we grenzen nodig. Een bovengrens wat betreft de opvang van vluchtelingen is noodzakelijk: de humanitaire verplichting kan alleen maar duurzaam vorm krijgen in een begrenzing.” (p. 112)

Maar hoe bepalen we wat die bovengrens is en hoe handhaven we dit quotum? Als een bovengrens is bereikt dan moet fort Europa toch hermetisch afgesloten worden. En dat is dan ook wat hij betoogt in zijn pleidooi voor bewaking van de grenzen van Europa. In haar boekbespreking zet Anet Bleich in de Volkskranthier vraagtekens bij:

”Wat moet zo’n kustwacht, gestationeerd voor het eiland Lesbos, doen als er een bootje komt aanvaren met half verzopen vluchtelingen aan boord? ‘Uw visa graag! Anders komt u er niet in!’? Daar begint het probleem toch pas? Hoe voorkom je dat wanhopige mensen, op zoek naar een beter lot, op zulke bootjes stappen? Op die vraag heeft ook Paul Scheffer het antwoord niet.”

Scheffer haalt de Amerikaanse socioloog Robert Putnam aan over etnische diversiteit. Putnam:

”Hoe groter de etnische diversiteit onder mensen, des te groter het onderlinge wantrouwen.”

En:

”Hoe diverser een buurt is, hoe minder bewoners zich daar thuis voelen.” (in Scheffer: p. 212-213).

Dat is geen bemoedigende sociologische observatie. Het tempert het enthousiasme voor multiculturalisme.

De normatieve botsing tussen islam en de open samenleving gaat Scheffer niet uit de weg. Een groot deel van de thans in Nederland wonende moslims heeft opvattingen die botsen met kernwaardes van de liberale democratie. Zo blijkt bijvoorbeeld uit sociologisch onderzoek dat

”twee derde van zowel de eerste als de tweede generaties in de Turkse en Marokkaanse gemeenschap bezwaar heeft tegen een niet-moslim als partner.” (p. 123)

Somber word ik ook van Scheffers bespiegeling:

”Het is eenvoudiger om oplossingen te vinden voor sociale achterstanden dan voor normatieve botsingen.” (p. 125)

Scheffer lijkt te pleiten voor morele vorming van moslims zodat zij ook tegen kritiek kunnen. Moslims moeten leren:

”Godsdienstvrijheid en godsdienstkritiek zijn onscheidbare vrijheden. Dat kan voor sommige gelovigen krenkend zijn, maar daarmee zullen ze moeten leren omgaan door tegenover die kritiek andere woorden of beelden te plaatsen.” (p. 126)

Ze moeten dus niet roepen om censuur of dreigen met geweld. Het ideaal van een open samenleving waarin er een zo groot mogelijke vrijheid van expressie is heeft als vreemde consequentie dat ook critici van het systeem gebruik van die vrijheid mogen maken:

”De open samenleving is er ook voor degenen die een gesloten wereldbeeld aanhangen.” (p. 126)

Volgens Scheffer gaat het goed zolang er maar

”een ruime meerderheid is die wel gelooft in wederkerigheid, in het idee dat het recht van de een de verantwoordelijkheid is van de ander. Zo’n meerderheid komt niet vanzelf tot stand, integendeel, en juist daarom is de open samenleving kwetsbaar.” (p. 126)

Scheffer laat het daarbij. Ik denk dat de open samenleving moet werken aan ideologische weerbaarheid – Scheffer spreekt van ‘maatschappelijke duurzaamheid’ – door middel van onderwijs en vorming tot democratisch burgerschap.

Een groot obstakel is het bestaan van islamitische scholen. Wanneer alle scholen openbaar zouden zijn en er overal aandacht zou zijn voor democratisch wereldburgerschap, zouden heel wat problemen van botsende normatieve waardensystemen kunnen worden ondervangen.

In het hoofdstuk ‘De terugkeer van het kalifaat’ behandelt Scheffer het gewelddadige islamisme dat in Syrië een horror-staat van IS creëerde en dat gewelddadige uitschieters heeft naar islamitisch terrorisme. Het afschuwelijke van terrorisme is dat een kleine groep terroristen in de samenleving ernstige maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken waarmee politieke partijen electoraal voordeel kunnen behalen. Het zou volgens de antiterrorisme-coördinator van de Europese Unie, Gilles de Kerchove, gaan om zo’n 50.000 geradicaliseerde moslims.

”Bij deze duizenden jihadisten verbleekt de eerdere terreurdreiging van de Rote Armee Fraktion (RAF) of de Brigate Rosse.” (p. 128)

Socioloog Ruud Koopmans doet onderzoek naar de ideologie van moslims in Europa. Zijn bevindingen zijn niet mals en tonen het loerende gevaar:

”Bijna de helft van de onderzochte moslimgemeenschappen wordt door Koopmans dan ook als “consistent fundamentalistisch” beschreven.” (p. 129)

Als we nadenken over grenzen is het goed om de tijdelijkheid en relativiteit van landsgrenzen in te zien. Politieke geograaf Henk van Houtum verwoordt het zo:

”Er is geen samenleving die in haar huidige ruimtelijke vorm en met de huidige burgers en nationale identiteit het eeuwige leven heeft. Dus er is ook geen muur die niet zal vallen. Het maakt duidelijk dat niet gefixeerde grenzen en identiteiten de constanten zijn in de geopolitieke geschiedenis, maar de verschuiving ervan.” (in Scheffer, p. 189)

Als voorbeeld ziet Scheffer Canada. Zo stelt hij in een interview in Trouw:

”Ik neem graag Canada als voorbeeld. Ik weet, dat ligt ver weg, en is niet zoals Europa omgeven door conflicthaarden. Maar hun publieke opinie over migratie wijkt niet veel af van de onze. Toch is er veel meer rust. Zij beslissen ieder jaar, in het parlement, hoeveel arbeidsmigranten er mogen komen. Ze denken na over welke kwalificaties deze mensen moeten hebben. En over hoeveel vluchtelingen ze willen opnemen. Daarbij kiezen ze bewust voor de meest kwetsbare groepen: vrouwen, gezinnen, kinderen.”

When you act with compassion you will never be wrong,’ zo las ik op het label van een zakje organic yogi tea. Deze uitspraak gaf mij stof tot nadenken. Volgens mij geeft de slogan aan waar het wringt. Als we met iedereen compassie hebben en dus ook met alle immigranten – denk aan de slogan ‘niemand is illegaal’ – dan kan het leiden tot een situatie waarin de eigen groep onder druk komt te staan. Een (te) grote mate van compassie kan zelfdestructief zijn. Waar rechts nationalisme compassie heeft voor de eigen groep (en daardoor geen of minder met immigranten) heeft links socialisme compassie voor de immigranten en daarmee minder of geen compassie voor de mensen die lijden onder de problemen die de immigratie met zich meebrengt (economisch, cultureel en sociaal, zoals criminaliteit en overlast). Maar als compassie volgens het theezakje nooit verkeerd is, dan zijn beide kanten van het politieke spectrum juist. En ik denk ook dat dat inderdaad zo is. Er is sprake van een morele patstelling. We zullen op democratische wijze hiervoor een oplossing moeten vinden die niet alleen de open samenleving in stand houdt maar tegelijkertijd de principes van de open samenleving respecteert. Als gekozen moet worden tussen het voortbestaan van de open samenleving en een ongecontroleerde instroom van immigranten, dan prevaleert het voortbestaan van de open samenleving. Het is als met een overvolle reddingssloep, als de boot vol is kan er niemand meer bij anders zinkt de boot en is alles verloren. Er zijn grenzen.

 

De hypocrisie van een politieke partij.

Juist over de politieke islam bleef Kaag oorverdovend stil

ERDAL BALCI 2 OKT 2018 MENING

Sigrid Kaag wil meer geluid horen. In de Abel Herzberglezing, die ze afgelopen zondag hield, maakte de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zich sterk voor meer solidariteit met de medemens en riep iedereen op om in dat opzicht minder stil te zijn. Ik schrijf dit stuk om haar een hart onder de riem te steken en de lezer in alle bescheidenheid te wijzen op een voorval waarbij het helemaal niet zo stil was en haar ministeriële oren de oorverdovende kreten hebben genegeerd.

Het is inderdaad erg stil. Om te beginnen bij haar eigen D66. De partij met diepe seculiere wortels stroomt de laatste jaren onder het mom van ‘religie is geen taboe meer bij D66’ als het meest verse water in de watergang. Eerder werd de PvdA al meegevoerd, en is inmiddels opgeslokt door het moeras van de door religie ingegeven politiek.

Er worden in gebedshuizen bijeenkomsten georganiseerd om te praten over hoe de verhouding tussen religie en liberalisme verbeterd kan worden. De sociaal-liberale partij van Hans van Mierlo die mensenrechten, individuele vrijheid en vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel had, is onder leiding van Alexander Pechtold getransformeerd naar een politieke beweging die rechtspopulisme en christelijke conservatisme bestrijdt, maar in alle talen zwijgt over de opkomst van het islamisme en over de postmoderne identiteitspolitiek.

Het nieuwe pragmatische credo is dat, ondanks de vele misstanden onder de minderheden, deze nieuwe Nederlanders tijd verdienen om uit zichzelf te emanciperen. In alle ‘stilte’ worden kinderen van witte scholen door D66-bestuurders op excursie naar moskeeën begeleid waar de kinderen voorgelicht worden over gebed, besnijdenis, hoofddoeken enzovoort.

Lyrische reacties uit eigen parochie

Gezien de lyrische reacties van de eigen parochie op de lezing van Kaag gaat zij de zwaar gehavende Pechtold opvolgen en wordt dit beleid door haar naar een hoger niveau getild. Kaag is het nieuwe boegbeeld van de linksliberalen. Als  politica lijkt ze niet alleen de ogen te sluiten voor de asymmetrie tussen de bevolkingsgroepen in onze steden, maar ook geen bewaar te hebben tegen de opkomst van de politieke islam in eigen land en in de rest van de wereld.

In haar lezing steekt zij de loftrompet over de Europese democratie waarin de universele waarden als het onafhankelijke recht en het vrije woord zodanig verankerd zijn. Daarbij laat ze doorschemeren dat angst voor de afbraak van onze democratie ongegrond is. Vanuit haar gemakkelijke fauteuil stelt zij de achterban gerust en is wederom stil over de meest prangende kwestie van onze tijd.

Je hoort haar niet over islamisten en hun obsessie voor politieke macht. En wat er met de positie van de vrouwen gebeurt als dat patriarchaat eenmaal die macht naar zich toe trekt. Immers, veel meer dan de christenen en de joden zijn de islamisten de vijand van het modernisme. Nog meer dan dat modernisme haten ze de vrouw die naar dat modernisme evolueert. Waar de andere religies het stadium hebben bereikt dat ze vrouwen slechts adviseren om goede huisvrouwen en goede moeders te zijn, houdt de islam de vrouw door middel van bindende, religieuze teksten binnenshuis en achter de sluier.

Stilte regeert

Om terug te komen op de veel besproken ‘stilte’ van Kaag, die was ook oorverdovend in alle islamitische gemeenschappen toen bekend werd dat IS vrouwen ontvoerde om ze als seksslaven aan de man te brengen. De verrichtingen van Boko Haram schokten de wereld en men leefde mee met de meiden die door de jihadisten eveneens ontvoerd en als seksslaven misbruikt werden. Een stem van grote verontwaardiging vanuit de islamitische landen heb ik tot nu toe niet gehoord. Want de moslims zijn in verwarring. De praktijken van IS en Boko Haram zijn zonder twijfel afschuwelijk, maar aan de andere kant betekent een stem van protest ook de veroordeling van de werkwijze van mannen die aan de basis stonden van de groei van hun geloof.

Stilte regeert dus ook in de islamitische kringen. Maar gelukkig niet altijd. Het onrecht en de onderdrukking maken dat dappere mensen zich met gevaar voor eigen leven verzetten tegen de despoten met de koran in de hand. Het staatsbezoek van Sigrid Kaag aan Iran, het land van de allereerste islamistische revolutie, was toevallig in een tijd waarin meisjes de knuppelslagen van de politie trotseerden om hun stemmen te laten horen voor gelijkheid tussen man en vrouw. De politie brak de benen en de armen van die meiden om ze het stilzwijgen op te leggen. Kaag, die niet van stilte houdt, sloot haar oren voor de kreten van die meisjes, deed een hoofddoek om bij de Ayatollahs en gaf op die manier legitimiteit aan hun regime.

Sindsdien is het weer stil in Iran. Die dappere meiden houden zich nu koest, in huis, op straat, in de gevangenis. Hun stilzwijgen weerklinkt het land waar minister Kaag een pleidooi heeft gehouden tegen de stilte. Hoort u hun kreten ook

Hoe het echt zit met Jeruzalem

Door LEON DE WINTER

Hoe zit het nou echt met Jeruzalem? In het oorspronkelijke verdelingsplan – op 29 november 1947 aangenomen als resolutie 181 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties – zou het Britse mandaatgebied Palestina worden opgedeeld in een Joods en een Arabisch deel, en zou Jeruzalem onder internationaal bestuur geplaatst worden.

De Joodse leiders gingen akkoord. Maar alle Arabische leiders weigerden resolutie 181 te aanvaarden en beloofden een vernietigingsoorlog als de Joden een eigen land zouden uitroepen.

Vergeet dit dus niet: als de Arabieren resolutie 181 hadden aanvaard, was er een Joodse en een Palestijnse staat gekomen en was Jeruzalem een stad geweest onder internationaal bestuur. Wat de Palestijnse Arabieren vervolgens overkwam, tot op de dag van vandaag, is het directe gevolg van die afwijzing.

In mei 1948 overvielen vier Arabische legers plus het zgn. Arabische Bevrijdingsleger het ministaatje van 700.000 Joden; de bedoeling was hen de zee in te drijven. Maar de Joden bleven wonderlijk overeind.

Hevig werd er gevochten om controle over Jeruzalem; het Arabische Legioen van koning Abdullah van Jordanië, geleid door Britse officieren, zegevierde. De Oude Stad werd van Joden gezuiverd.

Israël begroef 6000 doden, de Arabische legers telden naar schatting 12-15.000 doden. Ook resolutie 181 was dood, evenals het internationale bestuur over Jeruzalem.

Jeruzalem werd een stad verdeeld door muren, schuttingen, prikkeldraad, zoals Berlijn na 1961. Israël had het westen in bezit, Jordanië annexeerde het verwaarloosde oosten plus de Oude Stad en verbood Joden de toegang.

Oorlogen creëren feiten. Grenzen worden opnieuw getrokken, mensen worden verdreven of vluchten. Zoals de zogenaamde ’etnische Duitsers’, die na 1945 uit Centraal- en Oost-Europa verdreven werden: meer dan 30 miljoen mensen, van wie meer dan 2 miljoen mensen stierven, sloegen toen op de vlucht. En zoals Pakistans afscheiding van India, die 14 miljoen vluchtelingen en meer dan een miljoen doden veroorzaakte.

Vergeleken daarmee was de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog een klein geschil met relatief weinig doden op een relatief klein strookje land. Ongeveer 700.000 Arabieren ontvluchtten het Joodse land, ongeveer 800.000 Joden de Arabische landen.

Maar wat voor andere conflicten geldt, geldt niet voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. De Palestijnen voelden dat perfect aan en gingen populaire linkse termen hanteren: kolonialisme, imperialisme, apartheid. De Palestijnen slaagden erin hun situatie tot de ultieme tragedie van het Midden-Oosten te verheffen.

Zij krijgen het meeste hulpgeld in de wereld, aangevuld met geld van Westerse hulporganisaties, en het ziekelijke tribale en religieuze Palestijnse geweld wordt in de Westerse media verontschuldigd met verwijzing naar de ’bezetting’. Ook de alom aanwezige antisemitische propaganda wordt in de media verzwegen; volgens mij is dit conflict religieus van aard, niet een conflict over land.

Journaal
Zo’n Westers medium is het NOS Journaal. Afgelopen weekend berichtte het Journaal dat in Libanon 450.000 Palestijnse vluchtelingen leven. Het Journaal verzweeg dat dat nakomelingen zijn van vluchtelingen. Palestijnen hebben namelijk het recht de vluchtelingenstatus te erven. De tientallen miljoenen nakomelingen van gevluchte etnische Duitsers, Indiase hindoes en ’Arabische’ Joden hebben dat recht niet, wel de ruim 700.000 Arabische vluchtelingen van 1948 die inmiddels meer dan 5,2 miljoen ’erkende vluchtelingen’ als nakomelingen hebben.

Tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 kon koning Hoessein, ondanks waarschuwingen van Israël, niet de verleiding weerstaan zich in de oorlog te mengen. Zijn leger werd verpletterd door Israël. Jeruzalem werd herenigd.

En nu? De stad is onder Israëls bestuur gerenoveerd. De markten zijn er levendig, de restaurants druk en vol heerlijke gerechten, de infrastructuur modern. Elk geloof kan er in vrijheid beleden worden. Maar dat is allemaal niet genoeg voor de haters.

Een paar dagen geleden hoorde ik op de radio hoe een criticus zijn veroordeling van Trumps erkenning van Jeruzalem als Israëls hoofdstad inzette met de formule: ’De Joden hebben erg geleden in de oorlog, maar dat betekent nog niet dat...’

Ik hoor dat vaker. Er zit de volgende ranzige betekenis in: de Joden hebben kennelijk niks van de oorlog geleerd en doen nu bij anderen waaronder zij zelf hebben geleden. En bij antizionisten volgt dan een demoniserende opmerking over Israël.

Gedemoniseerd
Waarom wordt Israël, de enige succesvolle natiestaat in de gewelddadige jungle van het Midden-Oosten, zo gedemoniseerd in het Westen? Het heeft denk ik te maken met Westerse schaamte ten aanzien van de uitroeiing van de Europese Joden. Wanneer van Israël een duivelse staat wordt gemaakt (’Israël is een apartheidsstaat vol nazi’s die kinderen vermoorden’), kan de schaamte oplossen – dus wordt het lot van de Palestijnen, mede door honderden buitenlandse correspondenten, uitvergroot tot epische dimensies: de Palestijnen zijn de eeuwige slachtoffers van duivelse Joden. Het is de voortzetting van de demonisering die Joden eeuwenlang in Europa hebben ondergaan. Antizionisme is het nieuwe masker van het aloude antisemitisme.

De hysterie over Jeruzalem past in dat verschijnsel. Het is onder Israëls bestuur een intense en bloeiende stad waar niemand van honger omkomt, niemands vrijheden en rechten worden aangetast, een unieke plek voor Midden-Oosterse omstandigheden. Nog nooit hebben zovelen het zo goed gehad in Jeruzalem, inclusief Jeruzalemse Arabieren, als onder het huidige Israëlische bestuur.

Dit zijn de feiten. De rest is commentaar.