Zoals u weet span ik mij in om belangrijke informatie te behoeden voor een vernietiging door het collectieve geheugen. Zo’n belangrijk onderwerp zijn de dagboeken van Kurt Riezler (1882 – 1955). Als politicus speelde Riezler een relevante rol in de Duitse conservatief-imperiale politiek tijdens de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – ook hielp hij Lenin aan de macht in Rusland. Hij steunde zowel de Frankfurter Schule als Martin Heidegger en kreeg na zijn dood een lofrede door Leo Strauss.

Onlangs noemde ik de Riezler-dagboeken tijdens een debat over nepnieuws in het Huis van Europa – het specifieke fragment werd geciteerd in Met het Oog op Morgen (vanaf 01.44). De vraag is hoe wij nepnieuws definiëren. Als wij iets in die definitie betrekken dat zo moeilijk is vast te stellen als de intentie van de maker van een bericht, hoe solide is de definitie dan?

Iets weglaten is niet meteen nepnieuws. Kun je echter aantonen dat er herhaaldelijk zaken eenzijdig worden weggelaten – (zoals Arnold Karskens wil bewijzen met een zwartboek over de NOS) – dan ligt het anders. Dan probeert men het publieke bewustzijn te sturen: denk bijvoorbeeld aan paniekerige verhalen over het klimaat zonder dat klimaatsceptici ruimte krijgen om nuance aan te brengen. Wil een populaire acteur waarschuwen tegen klimaatverandering, dan krijgt hij of zij direct zendtijd in de mainstream media.

Klimaatcritici krijgen in dezelfde situatie géén podium en worden dan afgewimpeld met “u heeft geen wetenschappelijke expertise over dit onderwerp”. Deze situatie maakt het al makkelijker om de intenties van een omroep in kaart te brengen. Het ligt voor de hand dat de EU-instituties hierom de alternatieve media downplayen: die werpen immers licht op dergelijke subtiele manipulaties en wekken zo het brede publiek.

Precies hierom zijn Riezlers dagboeken van wezenlijk belang. Ze maken duidelijk dat het vaak niet mogelijk is om één gevestigde mening door een andere te vervangen, maar dat er een totale verschuiving nodig is van de heersende consensus. Een bron kan zijn eigen interpretatiekader niet verleggen: dat vereist een externe kracht – de levensdrift van een eigen idee. Dit komt doordat een feit dat botst met een gevestigd interpretatiekader vaak wordt genegeerd; als negeren onmogelijk is wordt het belang ervan gerelativeerd.

Zoals zal blijken was het bewijs dat uit Riezlers dagboeken kon worden geput krakkemikkig en waarschijnlijk pas na de Eerste Wereldoorlog opgeschreven. Desondanks bleven Duitse historici het gebruiken als bewijs dat de Duitse leiders destijds toch liever vrede hadden gewild. Als men stelt “om van nepnieuws te kunnen spreken is het noodzakelijk dat er een bedoeling is om te misleiden” – dan is er een probleem met de definitie: het bleek immers problematisch om Riezlers intenties eenduidig op te maken uit zijn eigen dagboek. Een botsing tussen een bron en een voorbereide uitleg betekent dikwijls dat de bron zó wordt geduid dat de oorspronkelijke interpretatie overeind blijft.

In mijn leven ondervond ik meermaals dat academici en journalisten zijn zoals iedere andere beroepsgroep: als het uiten van een bepaalde mening hun baan kan kosten, dan houden zij hun mond. Dit betekent dat welke mening op een bepaald moment in de tijd overheerst, meer een kwestie is van macht en belangen dan van waarheidsliefde en waarheidsvinding. Dit wil niet zeggen dat er geen objectieve waarheid bestaat – hooguit dat de perceptie van die objectieve waarheid actief wordt tegengewerkt door de gevestigde macht.

Dit weten we eigenlijk al sinds Sokrates in 399 v.C. de gifbeker kreeg toen hij ongemakkelijke waarheden aankaartte. Tóch houden linksliberalen het beeld overeind dat er een neutrale maatschappelijke discussie gaande is: zo blijven de subtiele mechanismen waarmee zijn hun eigen realiteit uitvergroten en de waarheidszoekende tegenstanders saboteren, zo veel mogelijk onzichtbaar. Vandaag noemen we deze gevestigde, agenda bepalende macht de deughegemonie.

Denk maar aan Climategate in 2009 – uitgelekte documenten van de Universiteit van East Anglia bevatten instructies om klimaatsceptici te weren uit wetenschappelijke publicaties. Terwijl de mainstream media dit van de agenda afvoerden bouwde de groene lobby verder aan de klimaatconsensus. Net zoals de massamigratie en cultuurverandering systematisch doorgingen na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, gingen de instituties stelselmatig verder met het deplatformen van klimaatsceptici na Climategate. Enkel een onthulling of een schokkende gebeurtenis is niet genoeg: het volk moet actief de straat op om het spoor van de gevestigde belangen anders te leggen. Met onverzettelijke macht en kracht moeten de gevestigde instituties dwingend en aanhoudend worden gecorrigeerd – en niet slechts door eens in de vier jaar een bolletje rood te kleuren in een stemhokje.

Op het risico af om van het kernpunt af te dwalen: dit is net zoiets als de PvdA van vroeger, oorspronkelijk bedoeld om het lot van arbeiders te verbeteren. Totdat die vakbondsleiders en PvdA-politici al snel vette salarissen kregen en zich lieten inkapselen binnen het bestel. De arbeider werd afgekocht met goedkope wegwerpproducten uit China – dit was mogelijk omdat het Westen economisch wereldleider was. Maar inmiddels wordt West-Europa overvleugeld door andere economische wereldmachten, dus dat wordt nu lastig.

Het bestel weet dit: zij overstelpen de bevolking met statistieken van economische groei en schroeven ondertussen aan de definitie van wat werkloosheid is. Energierekening met 300 euro omhoog – oh toch niet, oh toch wel, en voordat men het weet staat er een generatie klaar die niet anders is gewend dan om van flexbaantje naar flexbaantje te leven in voortdurende onzekerheid. Zorgpremies en eigen risico gaan omhoog, net als BTW op de boodschappen en negatieve rente op je spaarrekening – vaste krachten worden vervangen door gig-economy dienstverleners. Met subtiele propaganda probeert de elite u te laten slapen terwijl dit gebeurt: there is a war going on for your mind!

Kurt Riezler was niet onbekend met zulke pragmatische machtspolitiek. Hij was particulier secretaris van Theobald von Bethmann Hollweg, de kanselier van het Duitse Keizerrijk tussen 1909 en 1917. In de jaren zestig ontbrandde een fel debat tussen Duitse historici: het ene kamp beweerde dat Bethmann Hollweg en Riezler de oorlog actief hadden bevorderd – het andere bepleitte dat zij hadden getracht om de vrede te bewaren. Het probleem was dat er amper bronnen waren die inzicht boden in de overwegingen en motieven van de kanselier. Dit gold in het bijzonder voor zijn optreden na de moord op Frans Ferdinand in 1914, die de Eerste Wereldoorlog in gang zette.

In 1962 kwamen Riezlers dagboeken boven water: die leken de ‘vredesduif’-interpretatie te staven. Maar historici kregen argwaan – zij vonden aanwijzingen in de tekst dat Riezlers aantekeningen over de crisis van 1914 achteraf waren geschreven en toegevoegd. Pas in 1980 werd dit getoetst aan de originele dagboeken. De betreffende passages bleken te zijn geschreven op afwijkend papier en bovendien was er veel tekst doorgestreept. Riezlers broer bleek bovendien de meeste inhoud van de dagboeken te hebben verbrand: met name van de periode tussen 1911 en 1914. Hierop noteerden de aanhangers van de vredesduif-interpretatie weliswaar wat slordigheden: zij pasten hun lezing van het verleden niet wezenlijk aan.

Zo stuiten wij op een reeds omschreven inzicht van de geschiedsfilosofie: een bron op zichzelf kan zelden iets dwingend weerleggen of bewijzen. De bron wordt vaak zó geïnterpreteerd dat de bestaande lezing overeind blijft. Historici probeerden de dagboeken te herduiden om de intenties van Riezler anders te kunnen plaatsen in de tijdsgeest. De dagboek-controverse is belangrijk omdat deze laat zien dat de uitleg van de intenties van de historische actor, wordt bepaald door de historische omstandigheid van de duider. Dit is precies wat Leo Strauss verwoordde in zijn lofrede op Riezler: “Ieder conflict tussen ideeën weerspiegelt volgens Riezler een conflict tussen levende krachten; de vraag naar de waarheid van een idee komt dan neer op de vraag naar de kracht van dat idee.”

Dit stelt waarheid gelijk aan macht en populariteit oftewel aan welke stroming de ‘wind van de tijdsgeest in de rug heeft’. In de jaren vijftig – een tijd van bezinning – zal Riezler een andere weergave aanleveren van de intenties waarmee hij handelde in de nationalistische Duitse keizertijd, dan in die tijd zelf. Trekken we dit door naar de nepnieuws-discussie, dan blijkt het stempel ‘nepnieuws’ in de praktijk eenvoudigweg een codewoord voor onwelgevallige informatie die niet past in het linksliberale paradigma van het establishment. Een eigen waterdichte definitie bieden van nepnieuws is dan overbodig: men hoeft slechts de definities te beproeven die de EU en aanverwante partijen hanteren, en te constateren dat er tussen lidstaten geen consensus over die definitie is.

Hetzelfde geldt voor de discussie over ideologische vooringenomenheid in het onderwijs en de academische wereld. Links-liberalen, postmodernen en socialisten zeggen dan: “Kom met bewijzen, want anekdotes zijn niet serieus te nemen.” Maar zelfs het KNAW-rapport dat die eenzijdigheid in kaart had moeten brengen, negeerde de wezenlijke vraag van de ideologische bubbelvorming en kwam in plaats daarvan met mijmeringen over randzaken. Als je ziet dat duizenden academici manifesten ondertekenen tégen Thierry Baudet (FvD) en daarmee zelf politiek stelling nemen – welk belang hebben zij er dan nog bij om écht kwantitatief en kwalitatief diepte-onderzoek mogelijk te maken dat de pijnpunten onder de linksliberale academische consensus kan blootleggen?

Jan van de Beek stelde voor om systematisch te inspecteren welke onderzoeksvoorstellen zijn afgewezen en om de indieners van die onderzoeksvragen te interviewen. Dit gebeurde uiteraard niet. Daarom is het met de linksliberale wetenschap precies zoals met de telescoop van Galileo Galilei: toen de geestelijken kwamen kijken zagen zij geen kraters op de maan maar wolkjes in de lens. Degenen die een belang hebben in het gevestigde interpretatiekader, zien de tekortkomingen in hun interpretaties niet omdat ze deze niet willen zien. Als feiten botsen met het gevestigde interpretatiekader, dan worden ze irrelevant verklaard of afgedaan als ‘anekdotisch’. Dit maakt een totale paradigmawisseling noodzakelijk – een algehele horizonverschuiving. Die zal niet komen zonder slag of stoot.

 

Inleiding

Deze site bevat informatie over de demografische effecten van immigratie naar Nederland. Daarnaast wordt ook informatie gegeven over de kosten en baten van immigratie. 
 
Deze informatie is gebaseerd op een computermodel waarmee vier scenario's zijn doorgerekend. Deze scenario's zijn bedoeld om een beeld te geven wat het beleid van politieke partijen betekent voor de bevolkingsontwikkeling en de kosten van immigratie. 


 

 

 

Waarom deze site

Deze website komt voort uit de wens om inzicht te krijgen in de demografische gevolgen van immigratie en om die inzichten te delen met geïnteresseerden. De naam van de site verwijst daar ook naar; het gaat om de democratisering van demografische kennis in Nederland. Vandaar de naam demo-demo.nl.

Feitelijk komt mijn motivatie om deze site te beginnen voort uit vier bronnen: nieuwsgierigheid, ergernis, bezorgdheid en verantwoordelijkheid.

Nieuwsgierigheid

De nieuwsgierigheid wordt gevoed uit mijn interesse in het onderwerp immigratie. Ik was altijd al geïnteresseerd in verschillende culturen en heb vroeger ook veel gereisd, onder andere in Afrika, Azië en de voormalige Sovjet Unie. Vanuit die interesse heb ik na mijn studie wiskunde en informatica aan de Universiteit Utrecht culturele antropologie gestudeerd aan de UvA. Daarna ben ik aan diezelfde universiteit gepromoveerd op het onderwerp migratie. Mijn proefschrift ging over de kennis die economen in de loop der tijd hebben geproduceerd over de economische gevolgen van immigratie naar Nederland en ook over de vraag of die kennis wel geproduceerd mocht worden. Ik ben dus oprecht geïnteresseerd in de effecten van immigratie op de ontvangende samenleving. Daarnaast heb ik ook wel een voorliefde voor de cijfertjes achter de verschijnselen en voor het schrijven van computerprogramma's.

Ergernis

Wie op zoek gaat naar goede informatie over immigratie vindt niet altijd wat hij of zij zoekt. Daar begint de ergernis. Wie bijvoorbeeld wil weten wat een bepaalde mate van immigratie doet met de etnische samenstelling van de bevolking of het percentage moslims in Nederland, komt al snel uit bij gezaghebbende instituten als het NIDI en het CBS. Op zich zijn die uiteraard beter toegerust dan ik om een demografisch model te ontwikkelen, maar de informatie die ze produceren bevredigt niet altijd. 

Een belangrijk punt is bijvoorbeeld dat het CBS de derde generatie allochtonen automatisch tot de autochtonen rekent, ongeacht of zij zich Nederlander voelen of willen zijn. Anders gezegd: de mate en het moment van assimilatie (opgevat als zelfidentificatie met Nederland) staan bij voorbaat vast. Dat is niet realistisch. Wat ook ontbreekt zijn toegankelijke scenario's om bijvoorbeeld de ontwikkeling van het aantal niet-westerse immigranten of het aantal islamieten in Nederland te relateren aan een bepaalde mate van (asiel)migratie of aan een bepaalde mate van secularisatie of assimilatie. 

Ook bestond er geen middel om de kosten en baten van het migratiebeleid door te rekenen. Dat is onbegrijpelijk in een land waar alle verkiezingsprogramma's door het CPB worden doorgerekend. En tevens onverantwoord, want de impact van immigratie op het overheidsbudget is groot. 

Daarom besloot ik zelf een demografisch model te bouwen en een computerprogramma te schrijven, waarmee ik de demografische en economische effecten van beleidsscenario's door kon rekenen.

Bezorgdheid

Een belangrijke motivatie om al die moeite te doen is bezorgdheid. Ik voel me Europeaan en westerling en tot op zekere hoogte ook wereldburger. Maar ik identificeer me toch in de eerste plaats met Nederland. En ik denk dat teveel immigratie op de manier zoals die nu plaatsvindt niet goed is voor Nederland. 

De immigratie van teveel kansarme niet-westerse immigranten vormt een bedreiging van onze welvaart, onze welvaartsstaat en de sociale vrede. Het kernpunt is dat we door onze uitgebreide welvaartsstaat niet in staat zijn om grote aantallen immigranten van gemiddeld of laag scholingsniveau te absorberen. Veel te veel mensen komen in laaggeschoolde banen of een uitkering terecht. Dat kost grote sommen geld, omdat ook de meeste werkende immigranten over hun hele verblijfsduur netto-ontvangers van de welvaartsstaat zijn. Door structurele onderliggende oorzaken (outsourcing, robotisering, automatisering, enzovoort) is het vrijwel onmogelijk om daar beleidsmatig iets aan te doen middels banenplannen en dergelijke. 

Nu nog zijn we in staat om de latente etnische en religieuze tegenstellingen af te kopen met verzorgingsstaatarrangementen. Maar juist doordat immigratie ontzettend veel geld kost is die verzorgingsstaat op termijn niet houdbaar, als er in de toekomst sprake is van een structureel hoog niveau van ongeselecteerde immigratie. Als het huidige beleid van nauwelijks selectieve massa-immigratie wordt voortgezet, dan zullen er economische tegenstellingen - die langs etnische en religieuze breuklijnen lopen - aan de oppervlakte komen met alle gevolgen van dien. 

Daarnaast vormt een te grote immigratie van mensen die zich niet of nauwelijks identificeren met Nederland - en met de Nederlandse normen en waarden - een bedreiging voor de instandhouding van de Nederlandse samenleving. Dit geldt in het bijzonder voor de immigratie van orthodoxe moslims. Orthodoxe moslims hebben veelal een waardesysteem dat op cruciale onderdelen conflicteert met het westerse waardesysteem dat in Nederland domineert. Het gaat dan om een aantal in het oog springende punten als de gelijkheid van man en vrouw. Maar onderliggend gaat het zaken die zo mogelijk nog wezenlijker zijn. Een voorbeeld is het feit dat in het Westen religie bijna helemaal is teruggedrongen naar het privédomein. Uit onderzoek van onder andere de socioloog Ruud Koopmans is gebleken dat dit haaks staat op de visie van een groot deel van de orthodoxe moslims, die vinden dat hun religieuze wetten (de sharia) boven de wetten van Nederland staan. 

Bij kleine aantallen immigranten hoeft het niet direct een probleem te zijn dat immigranten een conflicterend waardesysteem hebben. Maar bij massale immigratie kan het leiden tot een strijd om de dominantie van het ene dan wel het andere waardesysteem. Veel progressieve mensen gaan er van uit dat culturele diversiteit altijd op voorhand goed is, een doel dat nastrevenswaardig is en tot op zekere hoogte is diversiteit uiteraard wenselijk. Maar als die diversiteit leidt tot allerlei disfunctionele conflicten in de samenleving en het democratische proces gaat frustreren, dan ligt het tegendeel meer voor de hand. 

Laten we ook niet onderschatten dat de massa-immigratie geleidelijk het waardesysteem van een samenleving verschuift. Het waardesysteem vormt een onderdeel van wat de antropoloog Marvin Harris aanduidt als de superstructure van de cultuur. Die superstructure is mede bepalend voor de wijze waarop culturen basale zaken als economische productie en menselijke reproductie organiseren. Dus een ander wereldbeeld en een ander systeem van normen en waarden kan uiteindelijk ook leiden tot een andere samenleving.

Verder is massale immigratie een potentieel probleem als veel immigranten zich niet met het ontvangende land identificeren. Symbolisch op dit punt waren de demonstraties en het vlagvertoon van Erdogan-aanhangers op de Erasmusbrug in Rotterdam na de mislukte Turkse coup. Deze mensen bevestigden wat al langer blijkt uit onderzoek van de SCP: een groot deel van de immigranten van Turkse herkomst (en ook een aantal andere groepen) identificeert zich nauwelijks met Nederland en veel meer met het land van herkomst. 

Als er steeds meer immigranten komen die zich niet of nauwelijks met Nederland identificeren, dan is dat in potentie een probleem. Want Nederland is er niet zomaar. Nederland bestaat bij de gratie van het feit dat er voldoende mensen zijn die zich met Nederland identificeren. Dat al die mensen heel verschillend zijn, maar toch ook tot op zekere hoogte gedeelde waarden en normen hebben. En dat de meeste van die mensen op de een of andere manier een inspanning leveren om Nederland - dit welvarende, vrije en vredige land - steeds weer opnieuw vorm te geven en in stand te houden. Die reproductieve capaciteit komt in gevaar door te veel immigratie.

Tot slot dit. Veel progressieven verdedigen graag de rechten van minderheden - zoals de oorspronkelijke, inheemse bevolking (indigenous population) van Amerika - op de beleving en het behoud van hun eigen taal en cultuur. Maar met datzelfde argument kan men argumenteren dat ook de indigenous population van Nederland recht heeft op de beleving en het behoud van de eigen taal en cultuur. De enige plaats waar die Nederlandse indigenous population de eigen taal en cultuur kan beleven is Nederland. Nergens anders kunnen zij heen om die beleving te hebben. Dus als de Nederlandse indigenous population dat recht op behoud van taal en cultuur heeft, dan heeft zij ook het recht om zich te vrijwaren van al te abrupte of ingrijpende veranderingen van die taal en cultuur door massale immigratie. Dit is iets waar veel Nederlanders - waaronder ik - zich terecht zorgen over maken.

Verantwoordelijkheid

Het mag duidelijk zijn dat ik de huidige immigratie onverantwoord vind. Het stoort me dan ook dat er behoorlijk veel mensen zijn - met name hoogopgeleide, kosmopolitisch ingestelde mensen aan de linkerzijde van het politieke spectrum - die de massale immigratie van de afgelopen decennia een mooie zaak lijken te vinden. Een voorbeeld vormt het VN-vluchtelingenverdrag. Ik denk dat dat verdrag totaal niet houdbaar is, maar nogal wat progressieven en christenen vinden dat wij altijd onderdak moeten bieden aan verdragsvluchtelingen, hoeveel het er ook zijn. Impliciet zeggen die mensen dat Nederland via het VN-vluchtelingenverdrag de mensenrechten van 7 miljard wereldburgers (en aan het eind van de eeuw 11 miljard) moet garanderen. In de praktijk gaat het in het asielherkomstgebied (ruwweg West-Azië, Afrika en enkele Europese landen) op dit moment om ongeveer 2 miljard mensen en aan het eind van de eeuw om ongeveer 6 miljard mensen. De meeste asielzoekers komen terecht in een dozijn Europese landen die samen ongeveer 400 miljoen inwoners tellen. Dat is totaal uit verhouding. Ik vind dat gevaarlijk en naïef omdat de massale migratie die daarvan het gevolg kan zijn simpelweg verwoestend uit kan pakken voor het Nederland zoals we dat nu kennen. 

Daarom zie ik het als mijn verantwoordelijkheid om middels deze site zo goed mogelijk inzicht te geven in de economische en demografische gevolgen van de massa-immigratie, juist omdat overheidsinstituten als het SCP, CBS en CPB hier de zaak op onderdelen laten liggen. Die leemte probeer ik op te vullen met deze eerste poging om alle beschikbare informatie zo goed mogelijk in één model onder te brengen. Hopelijk pakken genoemde overheidsinstituten dit initiatief op en produceren zij eindelijk een betrouwbaar model waarmee systematisch alle beleidsvoornemens en verkiezingsprogramma's inzake immigratie op economische en demografische effecten kunnen worden doorgerekend. Dat zou een goede zaak zijn, want die instituten zijn met al hun menskracht, expertise en middelen ongetwijfeld beter geoutilleerd voor deze taak dan ik.

Stemwijzer

Deze site is ook te gebruiken als een soort 'stemwijzer' op het onderdeel migratie. Er zijn vier scenario's ontwikkeld die inzicht geven in het effect van verschillende typen immigratiebeleid, begrensdmainstreamruimhartig en onbegrensd:

  • Ter rechterzijde van het politieke spectrum zijn er partijen zoals de PVV en Forum voor Democratie die de immigratie verregaand willen terugdringen. De effecten van een dergelijk beleid worden verbeeld door het scenario begrensd.

  • In het midden bevinden zich politieke partijen als de VVD die de status quo willen handhaven. De effecten van dergelijke beleid worden weergegeven in het scenario mainstream.

  • Ter linkerzijde zijn er partijen als GroenLinks en D66 die graag spreken over een ruimhartig toelatingsbeleid en het feit dat elke echte vluchteling altijd welkom moet zijn in Nederland. Voor deze partijen zijn de scenario's ruimhartig en onbegrensd ontwikkeld.

In het laatste geval is er gekozen voor twee scenario's omdat deze partijen in principe een onbegrensd beleid voorstaan waarbij het aanbod van asielzoekers de instroom bepaalt en elke uitkomst in principe mogelijk is. Met de twee scenario's worden de effecten bekeken van twee ordes van grootte van asielinstroom.

Historisch perspectief

Om de figuren elders op deze site in perspectief te plaatsen het volgende historisch voorbeeld van het mogelijk verloop van bevolkingsontwikkeling door immigratie. Volgens de CPB-publicatie Immigratie in Nederland: economische gevolgen uit 2000 waren er begin jaren zeventig 55 duizend Turkse en Marokkaanse gastarbeiders in Nederland en 20 duizend gezinsleden, in totaal 75 duizend personen. Inmiddels is deze groep meer dan vertienvoudigd tot 817 duizend personen (inclusief 33 duizend personen van de derde generatie).

 

 

 

In ontwikkeling

Deze site is uit bovenstaande motieven ontstaan. Echter, dit project is van dermate omvang en complexiteit dat het eigenlijk te veel is voor één persoon. Gelukkig heb ik meerdere deskundige mensen kunnen consulteren, waaronder Hans Roodenburg, voormalig hoofdonderzoeker van het CPB (waarvoor dank!). Ik heb naar eer en geweten, en met alle kennis en kunde die ik heb, een poging gedaan om tot een toekomstverkenning te komen. Het model en daarmee de site zijn in ontwikkeling.

Ik hoop twee dingen te bereiken. In de eerste plaats dat de gevestigde instituten een permanent lopende tool ontwikkelen om de economische en demografische effecten van het migratiebeleid (of het ontbreken daarvan) door te rekenen. Daarnaast hoop ik dat geïnteresseerden via het contactformulier komen met aanvullingen of mij wijzen op eventuele hiaten en of fouten. Eventuele wijzigingen zal ik bijhouden in een versiebeheer. 

Dr. Jan H. van de Beek

© 2017 Jan H. van de Beek

Bovengrens opvang van vluchtelingen.

Bovengrens wat betreft opvang van vluchtelingen is noodzakelijk

Door: Floris van den Berg , 22:17, 24 januari 2019

Paul Scheffer. ANP BART MAAT

”Etwas ist nur in seiner Grenze und durch seine Grenze das, was es ist.”

– Hegel

 

Als er in een open samenleving te veel mensen zijn of te veel mensen die de grondslagen van de open samenleving niet accepteren, komt het bouwwerk in gevaar en bestaat de kans op ineenstorting. Er gaat een enorme aantrekkingskracht uit van rijke westerse landen met een open samenleving voor mensen die ofwel uit door oorlog geteisterde gebieden komen ofwel die in zo’n sociaaleconomisch uitzichtloze positie zitten dat ze naar het rijke westen trekken. Gezien de prognose van bevolkingsgroei, voornamelijk in Afrika, is het aannemelijk dat de stroom van migranten zal aanzwellen. Als een samenleving als open samenleving wil blijven voortbestaan dan zal er een beleid gevoerd moeten worden om de instroom van immigranten te beperken en om immigranten te integreren in de liberaal democratische samenleving. Niets doen is een vorm van sociale zelfmoord. Over de vraag wat er gedaan moet worden, daarover zijn de meningen uiterst verdeeld en staan politici aan beide kanten van het politieke spectrum diametraal tegenover elkaar.

”Juist om ten volle de vrijheid te ontplooien, moeten liberale samenlevingen zich verweren tegen illiberale houdingen, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse politiek.” (p. 50),

zo betoogt Paul Scheffer die als linkse politicus verrassend genoeg pleit voor het bewaken van de Europese buitengrens.

Het is van belang om uit te zoomen om te zien wat het fundamentele probleem is. Volgens mij zijn er thans vier bedreigingen voor de open samenleving, dat wil zeggen een stabiele democratische samenleving waarin de vrijheid van het individu centraal staat:

  1. Het is economisch niet mogelijk de verzorgingsstaat overeind te houden wanneer er door immigratie (of door bevolkingsgroei onder kansarme immigranten) teveel mensen komen die een beroep doen op de verzorgingsstaat.
  2. Toename, vooral als gevolg van immigratie, van het percentage van de bevolking dat de principes van de open samenleving niet onderschrijft (reductie van het sociaal draagvlak).
  3. Illiberale reacties op immigratie: nationalisme, populisme, autoritarisme.
  4. Degenen die menen dat alleen punt 3 het probleem is.

In zijn essay De vorm van vrijheid (2018) verkent publicist Paul Scheffer, hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg, de grenzen van de open samenleving. Hij begint met een politieke filosofische kwestie:

”Uit naam waarvan kunnen we anderen het recht ontzeggen zich in onze contreien te vestigen?” (p. 10)

Natiestaten zijn immers historisch gegroeide eenheden van mensen die zich organiseren op een grondgebied, maar waar je als individu geboren wordt is toeval. Er ligt geen politieke ordening besloten in het universum, waarom zou je je als individu voegen naar de samenleving waarin je terecht bent gekomen? Waarom zou je je niet elders mogen vestigen? Dat is één kant van de medaille, de andere kant laat zich bezien vanuit het perspectief van de open samenleving.

”Kan een democratie duurzaam zijn zonder begrenzing?” (p. 17)

De vraag is of de samenleving waar ze zich aanmelden het recht heeft om immigranten te weigeren. Als je de samenleving vergelijkt met jouw eigen huis dan roept dat de vraag op waarom je dan het recht zou hebben om mensen die bij je aankloppen om bij je te wonen in je huis te weigeren? Waarom zou je wel mensen in je huis mogen weigeren, maar niet in je land? Vanuit pragmatische en praktische redenen is een land van de mensen die er wonen en zij kunnen beslissen wie er bij mogen of niet. Er is geen recht op vrije intocht.

Paul Scheffer vindt zichzelf een kosmopoliet die ook de door toeristen gemijde buitenwijken in grote steden over de wereld heeft gezien waar immigranten wonen.

”Ik ken genoeg mensen die zichzelf als verdraagzaam zien, maar die zelden de binnenstad verlaten en geen enkele betrokkenheid voelen bij het wel en wee van de buitenwijken.” (p. 41)

Maar wat wil Scheffer dan? Dat wij allemaal de slechte buitenwijken bezoeken? En dat als wij dat doen we wel betrokkenheid voelen? Of bedoelt hij dat de verdraagzaamheid vermindert als je de buitenwijken hebt bezocht? Waarom zou je iets persoonlijk moeten zien om je betrokken te voelen? Zo ben ik nog nooit in een megastal of slachthuis geweest en toch voel ik mij betrokken bij het lot van de dieren. Zo schreef Adriaan van Dis in De wandelaar (2007) meelevend over immigranten in de buitenwijken van Parijs, maar ja, en dan? Kennis van erbarmelijke omstandigheden heeft niet altijd tot gevolg dat buitenstaanders zich er tegen gaan verzetten.

Het essay is verkennend, soms verhelderend, soms nuanceert hij het zwart-wit tot een groot grijs. Het is onduidelijk wat hij precies bedoelt en waar hij naar toe wil. Het boek is als de haas in een marathon: Scheffer neemt je in gewiekste vaart een heel eind mee op sleeptouw, maar je zult het toch zelf moeten doen en verder moeten.

Hij heeft in ieder geval geen last van het hardnekkige cultuurrelativisme dat vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum welig tiert, terwijl hij zelf een ideoloog van de PvdA is. In zijn boek Het land van aankomst (2007) schreef hij al:

”Als een enigszins beheerste opvang van vluchtelingen, gezinsherenigers en arbeidsmigranten onmogelijk blijkt en gelijktijdig een goede inburgering in de samenleving niet echt lukt, dan zal vroeg of laat de kritische grens worden bereikt van wat sociaal en cultureel aanvaardbaar is.’”

En in De vorm van vrijheid borduurt hij daarop voort:

”Diversiteit is inderdaad geen waarde op zichzelf. De bijdragen van culturen moeten worden verdedigd naar de mate waarin ze de kennis vergroten en de vrijheid dienen.” (p. 42-43).

De vraag die zich dan direct aandient is: in welke mate draagt de islam bij aan het vergroten van kennis en vrijheid? En als het antwoord op beide vragen ‘in generlei mate is’, zoals duidelijk moge zijn, wat zijn daar dan volgens Scheffer de consequenties van?

”Kinderarbeid, eerwraak, duiveluitdrijving, weduwenverbranding, doodstraf, slavernij en de boerka zijn of waren allemaal culturele tradities – waarvan sommige in onze eigen contreien. En ze zijn allemaal niet het verdedigen waard. Het gaat er uiteindelijk om of mensen hun lot in eigen hand kunnen nemen. Diversiteit is een leeg begrip, want het omvat alles, het kent geen grenzen.” (p. 43)

Door persoonlijke autonomie centraal te stellen, betoont Scheffer zich humanist, zonder dat expliciet te maken, wat ik jammer vind.

In de opsomming van verderfelijke immorele praktijken ontbreken nog wel een paar essentiële zaken: vrouwenbesnijdenis, jongensbesnijdenis, rituele slacht, homofobie, holocaust-ontkenning en intolerantie inzake islam-kritische cartoons. Scheffer lijkt stevige kritiek te hebben, maar hij blijft toch altijd net in het veilige gedeelte. Hij wil graag zwemmen met het waterpoloteam, maar hij blijft wel in het gedeelte van het bad waar hij net kan staan. De slachtoffers van mijn opsomming hebben daar helemaal niets aan.

Een van de weinige conclusies die Scheffer trekt, gaat over de vluchtelingencrisis:

”juist om genereus te kunnen blijven, hebben we grenzen nodig. Een bovengrens wat betreft de opvang van vluchtelingen is noodzakelijk: de humanitaire verplichting kan alleen maar duurzaam vorm krijgen in een begrenzing.” (p. 112)

Maar hoe bepalen we wat die bovengrens is en hoe handhaven we dit quotum? Als een bovengrens is bereikt dan moet fort Europa toch hermetisch afgesloten worden. En dat is dan ook wat hij betoogt in zijn pleidooi voor bewaking van de grenzen van Europa. In haar boekbespreking zet Anet Bleich in de Volkskranthier vraagtekens bij:

”Wat moet zo’n kustwacht, gestationeerd voor het eiland Lesbos, doen als er een bootje komt aanvaren met half verzopen vluchtelingen aan boord? ‘Uw visa graag! Anders komt u er niet in!’? Daar begint het probleem toch pas? Hoe voorkom je dat wanhopige mensen, op zoek naar een beter lot, op zulke bootjes stappen? Op die vraag heeft ook Paul Scheffer het antwoord niet.”

Scheffer haalt de Amerikaanse socioloog Robert Putnam aan over etnische diversiteit. Putnam:

”Hoe groter de etnische diversiteit onder mensen, des te groter het onderlinge wantrouwen.”

En:

”Hoe diverser een buurt is, hoe minder bewoners zich daar thuis voelen.” (in Scheffer: p. 212-213).

Dat is geen bemoedigende sociologische observatie. Het tempert het enthousiasme voor multiculturalisme.

De normatieve botsing tussen islam en de open samenleving gaat Scheffer niet uit de weg. Een groot deel van de thans in Nederland wonende moslims heeft opvattingen die botsen met kernwaardes van de liberale democratie. Zo blijkt bijvoorbeeld uit sociologisch onderzoek dat

”twee derde van zowel de eerste als de tweede generaties in de Turkse en Marokkaanse gemeenschap bezwaar heeft tegen een niet-moslim als partner.” (p. 123)

Somber word ik ook van Scheffers bespiegeling:

”Het is eenvoudiger om oplossingen te vinden voor sociale achterstanden dan voor normatieve botsingen.” (p. 125)

Scheffer lijkt te pleiten voor morele vorming van moslims zodat zij ook tegen kritiek kunnen. Moslims moeten leren:

”Godsdienstvrijheid en godsdienstkritiek zijn onscheidbare vrijheden. Dat kan voor sommige gelovigen krenkend zijn, maar daarmee zullen ze moeten leren omgaan door tegenover die kritiek andere woorden of beelden te plaatsen.” (p. 126)

Ze moeten dus niet roepen om censuur of dreigen met geweld. Het ideaal van een open samenleving waarin er een zo groot mogelijke vrijheid van expressie is heeft als vreemde consequentie dat ook critici van het systeem gebruik van die vrijheid mogen maken:

”De open samenleving is er ook voor degenen die een gesloten wereldbeeld aanhangen.” (p. 126)

Volgens Scheffer gaat het goed zolang er maar

”een ruime meerderheid is die wel gelooft in wederkerigheid, in het idee dat het recht van de een de verantwoordelijkheid is van de ander. Zo’n meerderheid komt niet vanzelf tot stand, integendeel, en juist daarom is de open samenleving kwetsbaar.” (p. 126)

Scheffer laat het daarbij. Ik denk dat de open samenleving moet werken aan ideologische weerbaarheid – Scheffer spreekt van ‘maatschappelijke duurzaamheid’ – door middel van onderwijs en vorming tot democratisch burgerschap.

Een groot obstakel is het bestaan van islamitische scholen. Wanneer alle scholen openbaar zouden zijn en er overal aandacht zou zijn voor democratisch wereldburgerschap, zouden heel wat problemen van botsende normatieve waardensystemen kunnen worden ondervangen.

In het hoofdstuk ‘De terugkeer van het kalifaat’ behandelt Scheffer het gewelddadige islamisme dat in Syrië een horror-staat van IS creëerde en dat gewelddadige uitschieters heeft naar islamitisch terrorisme. Het afschuwelijke van terrorisme is dat een kleine groep terroristen in de samenleving ernstige maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken waarmee politieke partijen electoraal voordeel kunnen behalen. Het zou volgens de antiterrorisme-coördinator van de Europese Unie, Gilles de Kerchove, gaan om zo’n 50.000 geradicaliseerde moslims.

”Bij deze duizenden jihadisten verbleekt de eerdere terreurdreiging van de Rote Armee Fraktion (RAF) of de Brigate Rosse.” (p. 128)

Socioloog Ruud Koopmans doet onderzoek naar de ideologie van moslims in Europa. Zijn bevindingen zijn niet mals en tonen het loerende gevaar:

”Bijna de helft van de onderzochte moslimgemeenschappen wordt door Koopmans dan ook als “consistent fundamentalistisch” beschreven.” (p. 129)

Als we nadenken over grenzen is het goed om de tijdelijkheid en relativiteit van landsgrenzen in te zien. Politieke geograaf Henk van Houtum verwoordt het zo:

”Er is geen samenleving die in haar huidige ruimtelijke vorm en met de huidige burgers en nationale identiteit het eeuwige leven heeft. Dus er is ook geen muur die niet zal vallen. Het maakt duidelijk dat niet gefixeerde grenzen en identiteiten de constanten zijn in de geopolitieke geschiedenis, maar de verschuiving ervan.” (in Scheffer, p. 189)

Als voorbeeld ziet Scheffer Canada. Zo stelt hij in een interview in Trouw:

”Ik neem graag Canada als voorbeeld. Ik weet, dat ligt ver weg, en is niet zoals Europa omgeven door conflicthaarden. Maar hun publieke opinie over migratie wijkt niet veel af van de onze. Toch is er veel meer rust. Zij beslissen ieder jaar, in het parlement, hoeveel arbeidsmigranten er mogen komen. Ze denken na over welke kwalificaties deze mensen moeten hebben. En over hoeveel vluchtelingen ze willen opnemen. Daarbij kiezen ze bewust voor de meest kwetsbare groepen: vrouwen, gezinnen, kinderen.”

When you act with compassion you will never be wrong,’ zo las ik op het label van een zakje organic yogi tea. Deze uitspraak gaf mij stof tot nadenken. Volgens mij geeft de slogan aan waar het wringt. Als we met iedereen compassie hebben en dus ook met alle immigranten – denk aan de slogan ‘niemand is illegaal’ – dan kan het leiden tot een situatie waarin de eigen groep onder druk komt te staan. Een (te) grote mate van compassie kan zelfdestructief zijn. Waar rechts nationalisme compassie heeft voor de eigen groep (en daardoor geen of minder met immigranten) heeft links socialisme compassie voor de immigranten en daarmee minder of geen compassie voor de mensen die lijden onder de problemen die de immigratie met zich meebrengt (economisch, cultureel en sociaal, zoals criminaliteit en overlast). Maar als compassie volgens het theezakje nooit verkeerd is, dan zijn beide kanten van het politieke spectrum juist. En ik denk ook dat dat inderdaad zo is. Er is sprake van een morele patstelling. We zullen op democratische wijze hiervoor een oplossing moeten vinden die niet alleen de open samenleving in stand houdt maar tegelijkertijd de principes van de open samenleving respecteert. Als gekozen moet worden tussen het voortbestaan van de open samenleving en een ongecontroleerde instroom van immigranten, dan prevaleert het voortbestaan van de open samenleving. Het is als met een overvolle reddingssloep, als de boot vol is kan er niemand meer bij anders zinkt de boot en is alles verloren. Er zijn grenzen.

 

Hoe het echt zit met Jeruzalem

Door LEON DE WINTER

Hoe zit het nou echt met Jeruzalem? In het oorspronkelijke verdelingsplan – op 29 november 1947 aangenomen als resolutie 181 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties – zou het Britse mandaatgebied Palestina worden opgedeeld in een Joods en een Arabisch deel, en zou Jeruzalem onder internationaal bestuur geplaatst worden.

De Joodse leiders gingen akkoord. Maar alle Arabische leiders weigerden resolutie 181 te aanvaarden en beloofden een vernietigingsoorlog als de Joden een eigen land zouden uitroepen.

Vergeet dit dus niet: als de Arabieren resolutie 181 hadden aanvaard, was er een Joodse en een Palestijnse staat gekomen en was Jeruzalem een stad geweest onder internationaal bestuur. Wat de Palestijnse Arabieren vervolgens overkwam, tot op de dag van vandaag, is het directe gevolg van die afwijzing.

In mei 1948 overvielen vier Arabische legers plus het zgn. Arabische Bevrijdingsleger het ministaatje van 700.000 Joden; de bedoeling was hen de zee in te drijven. Maar de Joden bleven wonderlijk overeind.

Hevig werd er gevochten om controle over Jeruzalem; het Arabische Legioen van koning Abdullah van Jordanië, geleid door Britse officieren, zegevierde. De Oude Stad werd van Joden gezuiverd.

Israël begroef 6000 doden, de Arabische legers telden naar schatting 12-15.000 doden. Ook resolutie 181 was dood, evenals het internationale bestuur over Jeruzalem.

Jeruzalem werd een stad verdeeld door muren, schuttingen, prikkeldraad, zoals Berlijn na 1961. Israël had het westen in bezit, Jordanië annexeerde het verwaarloosde oosten plus de Oude Stad en verbood Joden de toegang.

Oorlogen creëren feiten. Grenzen worden opnieuw getrokken, mensen worden verdreven of vluchten. Zoals de zogenaamde ’etnische Duitsers’, die na 1945 uit Centraal- en Oost-Europa verdreven werden: meer dan 30 miljoen mensen, van wie meer dan 2 miljoen mensen stierven, sloegen toen op de vlucht. En zoals Pakistans afscheiding van India, die 14 miljoen vluchtelingen en meer dan een miljoen doden veroorzaakte.

Vergeleken daarmee was de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog een klein geschil met relatief weinig doden op een relatief klein strookje land. Ongeveer 700.000 Arabieren ontvluchtten het Joodse land, ongeveer 800.000 Joden de Arabische landen.

Maar wat voor andere conflicten geldt, geldt niet voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. De Palestijnen voelden dat perfect aan en gingen populaire linkse termen hanteren: kolonialisme, imperialisme, apartheid. De Palestijnen slaagden erin hun situatie tot de ultieme tragedie van het Midden-Oosten te verheffen.

Zij krijgen het meeste hulpgeld in de wereld, aangevuld met geld van Westerse hulporganisaties, en het ziekelijke tribale en religieuze Palestijnse geweld wordt in de Westerse media verontschuldigd met verwijzing naar de ’bezetting’. Ook de alom aanwezige antisemitische propaganda wordt in de media verzwegen; volgens mij is dit conflict religieus van aard, niet een conflict over land.

Journaal
Zo’n Westers medium is het NOS Journaal. Afgelopen weekend berichtte het Journaal dat in Libanon 450.000 Palestijnse vluchtelingen leven. Het Journaal verzweeg dat dat nakomelingen zijn van vluchtelingen. Palestijnen hebben namelijk het recht de vluchtelingenstatus te erven. De tientallen miljoenen nakomelingen van gevluchte etnische Duitsers, Indiase hindoes en ’Arabische’ Joden hebben dat recht niet, wel de ruim 700.000 Arabische vluchtelingen van 1948 die inmiddels meer dan 5,2 miljoen ’erkende vluchtelingen’ als nakomelingen hebben.

Tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 kon koning Hoessein, ondanks waarschuwingen van Israël, niet de verleiding weerstaan zich in de oorlog te mengen. Zijn leger werd verpletterd door Israël. Jeruzalem werd herenigd.

En nu? De stad is onder Israëls bestuur gerenoveerd. De markten zijn er levendig, de restaurants druk en vol heerlijke gerechten, de infrastructuur modern. Elk geloof kan er in vrijheid beleden worden. Maar dat is allemaal niet genoeg voor de haters.

Een paar dagen geleden hoorde ik op de radio hoe een criticus zijn veroordeling van Trumps erkenning van Jeruzalem als Israëls hoofdstad inzette met de formule: ’De Joden hebben erg geleden in de oorlog, maar dat betekent nog niet dat...’

Ik hoor dat vaker. Er zit de volgende ranzige betekenis in: de Joden hebben kennelijk niks van de oorlog geleerd en doen nu bij anderen waaronder zij zelf hebben geleden. En bij antizionisten volgt dan een demoniserende opmerking over Israël.

Gedemoniseerd
Waarom wordt Israël, de enige succesvolle natiestaat in de gewelddadige jungle van het Midden-Oosten, zo gedemoniseerd in het Westen? Het heeft denk ik te maken met Westerse schaamte ten aanzien van de uitroeiing van de Europese Joden. Wanneer van Israël een duivelse staat wordt gemaakt (’Israël is een apartheidsstaat vol nazi’s die kinderen vermoorden’), kan de schaamte oplossen – dus wordt het lot van de Palestijnen, mede door honderden buitenlandse correspondenten, uitvergroot tot epische dimensies: de Palestijnen zijn de eeuwige slachtoffers van duivelse Joden. Het is de voortzetting van de demonisering die Joden eeuwenlang in Europa hebben ondergaan. Antizionisme is het nieuwe masker van het aloude antisemitisme.

De hysterie over Jeruzalem past in dat verschijnsel. Het is onder Israëls bestuur een intense en bloeiende stad waar niemand van honger omkomt, niemands vrijheden en rechten worden aangetast, een unieke plek voor Midden-Oosterse omstandigheden. Nog nooit hebben zovelen het zo goed gehad in Jeruzalem, inclusief Jeruzalemse Arabieren, als onder het huidige Israëlische bestuur.

Dit zijn de feiten. De rest is commentaar.