Leo Smit Silhouetten tekeningen: Paul Süss

Dankzij de Leo Smit Stichting is het oeuvre van de in 1943 in Sobibor vermoorde componist Leo Smit hernieuwd onder de aandacht gekomen. Een aantekening op de bewaard gebleven kladversie van zijn vroege orkestwerk Silhouetten wekte ruim 70 jaar later de nieuwsgierigheid van dirigent Stéphane Denève.

tekst: Carine Alders
illustraties: Paul Süss

Lange tijd heeft de joodse componist Leo Smit gedacht dat hij de oorlog ongeschonden door zou komen als hij zich maar netjes aan alle regels van de bezetter hield. In 1937 was hij teruggekeerd naar Amsterdam na een verblijf van negen jaar in Parijs. Gestaag bouwde hij aan zijn oeuvre van ­film-, kamer- en orkestmuziek.

Hij had net zijn fluitsonate voltooid – een hoogtepunt – toen zijn leven een dramatische wending nam. Zijn vrouw Lientje durfde niet onder te duiken. In december 1942 werd het echtpaar gedwongen hun huis in de Eendrachtstraat te verruilen voor een kleine bovenwoning in de Transvaalbuurt, een tussenstation op weg naar Westerbork en Sobibor, zoals later zou blijken.

Geheel tegen de regels in had Smit echter op tijd maatregelen genomen om zijn composities in veiligheid te brengen. Hij stuurde zijn leerling Frits Zuiderweg op pad om de belangrijkste werken in bewaring te geven bij een collega. De componist knipte zorgvuldig zijn naam van de partituren, opdat de jongeman op straat niet in moeilijkheden zou komen.

Zuiderweg zorgde ervoor dat de composities na de oorlog in goede staat aan Smits zuster Nora konden worden overhandigd. Zij schonk alles uiteindelijk aan het Haags Gemeentemuseum, waarvan de muziekcollectie tegenwoordig deel uitmaakt van het Nederlands Muziek Instituut.

‘Naar teekeningen van paul süss’
Zo vond biograaf Jurjen Vis bij zijn onderzoek naar leven en werk van Leo Smit twee handschriften van Silhouetten in de archieven – een kladversie in potlood en een net afschrift in inkt. Op het voorblad van de kladversie staat geschreven ‘naar teekeningen van Paul Süss’. Lange tijd waren Süss en zijn tekeningen onvindbaar, Vis begon zelfs te vermoeden dat Süss een verzinsel van de toen nog jonge componist was.

Toen Stéphane Denève, die het Koninklijk Concertgebouworkest op 6, 7 en 9 oktober leidt, in de muziek dook, werd hij meteen nieuwsgierig naar de inspiratiebron van de fantasierijke miniatuurtjes. Hij zette na vijftien jaar een hernieuwde zoektocht in gang.

Dankzij sterk verbeterde zoekmachines en de enorme toename van gedigitaliseerde afbeeldingen op internet kunnen we nu met eigen ogen zien waar Smit zijn inspiratie vandaan haalde: een set ansichtkaarten getiteld Tanz Silhouetten van een vrij onbekend gebleven kunstenaar uit München. Paul Süss bestond dus echt. Hij zou afkomstig zijn geweest uit het Duitstalige deel van Bohemen en gestudeerd hebben in Teplitz en Praag.

Volgens een Duits antiquariaat moet hij in de Eerste Wereldoorlog aan het front in Italië gevochten hebben en zwaar gewond zijn geraakt. Na de oorlog vestigde hij zich naar verluidt in München, waar hij werkzaam was als reclametekenaar en restaurateur.



In 1923 is hij vermoedelijk voor twee jaar naar de Verenigde Staten vertrokken om zich te verdiepen in de kunsthandel. Hij werd een zeer gewaardeerd reclametekenaar en produceerde een aantal zeer verfijnde ex-librissen, waaronder één voor zichzelf met een zelfportret.

De ansichtkaarten waardoor Leo Smit zich liet inspireren maken deel uit van een serie ‘Künstler Postkarten’ uit het begin van de jaren twintig. Voor zover we hebben kunnen achterhalen maakte Süss tenminste acht afbeeldingen met titels die aan muziek gerelateerd zijn.

Vijf van de zes delen van Smits compositie Silhouetten hebben titels die ook Süss gebruikte. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen we na bijna een eeuw de beelden zien die Leo Smit tot componeren aanzetten.

Danssilhouetten
In hoeverre Smit zich door de pikante en licht absurdistische afbeeldingen van Süss werkelijk heeft laten leiden is niet helemaal duidelijk. De muziek doet vermoeden dat hij veel meer inspiratiebronnen had en een hoofd vol ideeën.

Een aantal beelden zijn letterlijk terug te horen in de muziek. Zo klinkt in het dromerige en mysterieuze Adagio een zacht tinkelen dat zomaar zou kunnen verwijzen naar de lange kralenketting waar de twee vrouwen op de kaart mee spelen.

Het huppelende karakter van het Allegro zou ingegeven kunnen zijn door het kind op de afbeelding. In het Capriccio komt een stormachtige passage voor waarbij je je voor kunt stellen dat de aap en de vrouw op de tekening een woeste dans uitvoeren, zwaaiend met een kleurige shawl.

Voor het laatste deel, een foxtrot, diende de afbeelding met de titel ‘Forte’ als inspiratiebron. Een dame in doorschijnend gewaad slaat de bekkens, achtervolgd door een aap met een bel aan zijn staart. De bekkens hebben een duidelijke plek gekregen in dit deel. De foxtrot zat duidelijk al langer in het hoofd van Smit: een jaar eerder had hij onder pseudoniem een lied met de titel ­Hobby Trot uitgegeven.

Meer informatie over Leo Smit leest u op de website van de Leo Smitstichting

Officieel gedeelte opening website

http://www.forbiddenmusicregained.org/

Op 21 juni feestelijk geopend.

Bijna compleet en volop nog in ontwikkeling.

Het doel is dat deze groep vervolgde en verboden componisten een volwaardige plaats krijgt in het muziekleven.

Fysiek kunnen we ze niet terug halen. Hun kunst kunnen en moeten we altijd laten zien en laten horen. Op deze manier trekt de tiran toch altijd aan het kortste end.

Daniel Belinfante

De suggestie onderzoek te doen naar de Nederlandse componist Daniël Belinfante kwam in 2004 van een Italiaanse pianist. Duidelijker kan niet worden geïllustreerd hoezeer deze Amsterdamse componist van het muzikale toneel was verdwenen. Aanvankelijk lijkt de persoon Belinfante haast een muzikale Osewoud, de verzetsman uit Hermans’ Donkere kamer van Damokles, aan wiens werkelijke bestaan de lezer steeds meer gaat twijfelen. Gelukkig zijn de grote contouren van Belinfantes leven inmiddels zichtbaar geworden, vooral aan de hand van onderzoek in het Amsterdams Gemeentearchief.

Belinfante werd in 1893 geboren in een groot Amsterdams-joods en zeer muzikaal gezin. Vader was diamantslijper en gaf de jonge Daniël zijn eerste vioollessen, die vervolgens werden overgenomen door zijn oom Sidney, die waarschijnlijk een professioneel violist was. Tevens studeerde hij piano, vermoedelijk bij Ary Belinfante. Toen Daniël in 1928 naar Blaricum verhuisde was hij inmiddels getrouwd met de zangpedagoge en componiste Martha Dekker (1900-1989), met wie hij leiding gaf aan de door hem in 1915 opgerichte Muziekschool in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Onder de docenten van deze muziekschool waren nogal wat leden van het Concertgebouworkest; Belinfante zelf en o.a. Karel Mengelberg gaven pianoles. Vanaf 1934 werd er voor amateurs en vakleerlingen ook een "Jazzklasse" aangeboden, de eerste in zijn soort. Opvallend genoeg werden ook deze lessen gegeven door leden van het Concertgebouworkest. Tijdens de oorlog dook Belinfante onder, wat hem er niet van weerhield om vanaf zijn onderduikadres in Amsterdam verzetswerk te doen. Hij huurde zelfs een woning, onder een valse naam, waarin hij onderduikers opnam. Toen hij daar op een dag berichten van de Engelse radio wilde komen doorgeven werd hij gearresteerd. Via Westerbork belandde Belinfante in Auschwitz en vandaar in Fürstengrube. Ondanks zijn sterke constitutie kwam hij uiteindelijk door een beenziekte terecht in de ziekenbarak, die bij de nadering van de Russen in januari 1945 door de Wehrmacht in brand werd gestoken. Zo kwam Belinfante vlak voor de bevrijding om het leven.

Op 12 juli 1945 vond ten huize van Martha Belinfante een concert plaats, georganiseerd door de Muziekschool. Martha had de oorlog overleefd en het directeurschap van haar overleden echtgenoot overgenomen. Op het programma stonden, naast werk van Martha zelf, werken van o.a. Händel, Debussy en Ravel, maar verrassend genoeg niet van Daniël Belinfante. Voorzover we kunnen nagaan is de muziek van Belinfante na de oorlog niet meer gespeeld. Maar hoe was het voordien met uitvoeringen gesteld? In de omvangrijke collectie partituren van het Nederlands Muziek Instituut zijn veel speelaanwijzingen bijgeschreven, maar aanwijzingen over concertuitvoeringen ontbreken. Wel werd Belinfantes muziek regelmatig gespeeld op zijn muziekschool en gaf hij aan zijn betere leerlingen zijn pianomuziek als studiemateriaal. Belinfante heeft waarschijnlijk een gebrek aan respons gevoeld. Concerten kunnen de componist immers helpen eventuele correcties aan te brengen en hem stimuleren aan een volgend opus te beginnen.

Persoonlijke documenten mogen dan grotendeels verloren zijn gegaan, gelukkig bezitten we nog wel de meest essentiële nalatenschap van de componist: zijn muziek. Daarin is de invloed van de eigentijdse Franse muziek direct hoorbaar. Zo valt het frequente gebruik van bitonaliteit op, het gelijktijdige gebruik van twee verschillende toonsoorten, zoals met name veel werd toegepast door Milhaud. Ook een zekere weerbarstigheid in de klank, een veelal ostinate ritmiek en een fijnzinnig oor voor bijzondere harmonische kleuren doen aan Belinfantes Franse tijdgenoot denken.

Van Belinfantes kamermuziek die in de afgelopen jaren is uitgevoerd (de orkestmuziek wacht nog geheel op ontsluiting) maakt het Concertino voor piano indruk door een heldere en montere schrijfwijze. Het Kwartet voor twee violen, cello en piano is donkerder van kleur en treft door zijn dramatische kracht. Uit het uitgebreide oeuvre voor piano solo mag met name de Derde Sonatine geslaagd worden genoemd. De twee strijkkwartetten, uit 1931 en 1941, wachten nog op een uitvoering, evenals de sonates voor viool respectievelijk cello en piano. Het is aan de huidige generatie musici om het zorgvuldige muzikale selectieproces te voltooien.

Marcel Worms

27 januari 2017 in Dortmund, herdenking bevrijding Auschwitz

Piece for flute and piano

Virtuele ontmoeting Leo Smit en Marc Chagall

De Silhouetten met de tekeningen van Paul Süss.

Ondernemingsplan_Leo_Smit_Stichting_2017 (2)

Terugkeer Leo Smit Concertgebouw

Briljante muziek van Leo Smit

Ondanks alle inspanningen van de in 1996 opgerichte Leo! Smit Stichting is het werk van de Nederlands-Joodse componist Leo Smit nog steeds geen gemeengoed op de kamermuziek- en orkestpodia. En daar doen we onze Nederlandse muziekgeschiedenis veel te kort mee, want Leo Smit was een fenomeen. Als hij niet in de bloei van zijn leven slachtoffer was geworden van de nazi’s – hij stierf in 1943 op 42-jarige leeftijd in het vernietigingskamp Sobibór – was hij ongetwijfeld uitgegroeid tot een van de werkelijk grote Nederlandse componisten. Smit leerde de on-Nederlandse schwung en mediterrane lyriek in Parijs van de componisten van de Groupe des six en dat is ook het echelon waarmee hij zich kan meten. Briljante muziek die briljant uitgevoerd wordt door Smit-adepten als Ed Spanjaard, Eleonore Pameijer en Quirine Viersen. Deze prachtige opnamen uit de jaren negentig vormen nu gezamenlijk een monument van de Nederlandse muziekgeschiedenis dat in geen enkel muziekminnend huishouden mag ontbreken.

Jan van Gilse

Jan Pieter Hendrik van Gilse werd op 11 mei 1881 geboren in Rotterdam. Rond zijn zesde kreeg hij zijn eerste pianolessen en op de middelbare school begon hij te componeren. Op zijn vijftiende ging hij naar het internationaal vermaarde conservatorium van Keulen; vanaf 1902 studeerde hij in Berlijn, waar hij leerling was van onder meer Engelbert Humperdinck.

In 1901 kreeg Van Gilse een prijs van het Beethovenhaus in Bonn voor zijn eerste symfonie. Acht jaar later werd hem de 'Preis der Michael-Beer-Stiftung' toegekend voor zijn symfonie Erhebung. Hierdoor kon hij een jaar lang in Rome studeren. Daarna verhuisde hij met zijn vrouw Ada Hooijer naar München, om in 1916 naar Nederland terug te keren.

Van Gilse zette zich in voor de rechten en belangen van componisten. Hij was in 1911 een van de oprichters van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo) en betrokken bij de oprichting van het Bureau voor Muzikale Auteursrechten (BUMA) in 1913.

Van 1917 tot 1922 was Van Gilse dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest, waar hij uiteindelijk aftrad wegens een conflict met het bestuur. De aanleiding hiervan was Van Gilses verzoek om Willem Pijper – die in het Utrechts Dagblad zeer negatieve en onaangename recensies over hem schreef – de toegang tot de concerten te ontzeggen. Er was sprake van een heftige persoonlijke vete tussen beide componisten, die ook musicologische/muzikale trekjes had. De Frans-georiënteerde Pijper verweet Van Gilse een te Duitse gezindheid op muziekgebied. Diens laat-romantische stijl is onder meer beïnvloed door Humperdinck, Strauss en Mahler.

Van Gilse woonde vervolgens in Duitsland tot de machtsovername van Hitler in 1933. Tijdens de oorlog raakte hij nauw betrokken bij het verzet; vanaf 1942 moesten hij en zijn vrouw dan ook onderduiken. Hun beide zoons - ook in het verzet - zouden door de Duitsers geëxecuteerd worden. Op 8 september 1944 stierf de componist na een ziekbed van enkele maanden in Oegstgeest

Op 17 januari werd het 20 jarig bestaan van de Leo Smitstichting gevierd.

Pianoconcert

Gecomponeerd in 1937 in Brussel. Geïnspireerd door Stravinsky.
Bezetting blazers, een lage strijker en een solopiano

Altvioolconcert

Een compositie uit 1940. Première in de kleine zaal van het Concertgebouw Amsterdam met als solist Juup Raphael.
Leo Smit werd geboren op 14 mei 1900 in de Amsterdamse Plantagebuurt. Hij stamde uit een welgestelde, niet-religieuze Portugees-joodse familie. Hij begon al jong met muzieklessen en schreef zijn eerste compositie op zestienjarige leeftijd. Zijn jongere zusje Nora speelde harp; haar lerares, de bekende harpiste Rosa Spier, was een vaste gast in huize Smit. Vanaf 1919 studeerde Leo Smit piano en compositie aan het Amsterdams Conservatorium, bij onder andere Sem Dresden en Bernard Zweers. In 1924 was hij de eerste student die aan dit conservatorium cum laude het einddiploma compositie behaalde. Nog in zijn studietijd, in 1922, schreef hij het orkestwerk Silhouetten, dat drie jaar later werd uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder leiding van Cornelis Dopper. Naar aanleiding hiervan schreef de recensent van Het Volk: ‘In de gehele suite maakt de componist gebruik van de eigenaardige klankcombinaties van den negerachtigen jazzband.’

Kort na zijn afstuderen werd Smit docent harmonieleer en muziekanalyse, maar eerst moest hij in Harderwijk zijn dienstplicht vervullen. De kleine en tengere vierentwintigjarige Smit kon het tussen de grove achttienjarige jongens moeilijk uithouden. Een legerarts liet hem opnemen in het Militair Hospitaal in Utrecht, waar hij meteen werd afgekeurd. Inmiddels had hij al diverse succesvolle stukken geschreven, zoals het Voorspel voor Teirlincks ‘De Vertraagde Film’. Net als veel andere Nederlandse componisten voelde hij zich aangetrokken tot de nieuwe Franse muziek, en in 1927 vertrok hij naar Parijs, waar hij negen jaar zou blijven.

In 1930 besloot ook zijn vriend, de componist Jacques Beers, naar Parijs te gaan. Hoewel Smit zich onderdompelde in het Parijse muziekleven en genoot van de uitvoeringen van componisten als Ravel, Stravinsky, Milhaud, Honegger en Poulenc, bleven de banden met Nederland sterk. In 1929 voerde het Concertgebouworkest zijn balletmuziek Schemselnihar uit. In 1933 trouwde Smit met Engeline (Lientje) de Vries, die hem volgde naar Parijs. Leo Smit schreef drie belangrijke werken waarin de harp centraal staat: een trio, een kwintet en een Concertino, alle drie voor Rosa Spier; het Concertino werd in 1934 door haar uitgevoerd met het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum.

Leo Smit schreef in een neoclassicistische stijl, met een voorliefde voor de toonsoort C-groot. In verschillende werken was de jazz een inspiratiebron: jazz-achtige ritmes en harmonieën getuigen van zijn fascinatie voor deze in die tijd nieuwe muzieksoort. Smits stijl is zeer Frans, verwant aan Ravel en Debussy, maar soms ook aan Hindemith (altvioolconcert) en Stravinsky (klarinettrio). Zonnige muziek, melodieus, afwisselend, klassiek van vorm en harmonisch interessant. In de periode tot 1940 schreef hij een aantal grotere werken: het Sextuor (1932) voor vijf blazers en piano, de Symphonie in C (1936), het Concerto (1937) voor piano en blazers en het Concert (1940) voor altviool en strijkers.

Na nog een jaar in Brussel te hebben gewoond, vestigde Smit zich in 1937 weer in Amsterdam, waar hij in zijn onderhoud voorzag als privéleraar piano, theorie en compositie. Hij was bevriend met bekende musici, onder wie de mezzosopraan Jo Immink, de altviolist Juup Raphaël en de componisten Daniël Ruyneman en Karel Mengelberg. Zijn naam was in Nederland definitief gevestigd; zijn composities waren ook via de radio regelmatig te horen.

Op de Duitse invasie volgden steeds meer anti-joodse maatregelen. De situatie verergerde geleidelijk, ook voor musici. In 1941 mochten joodse musici niet meer in het openbaar optreden, later zelfs hun vak niet meer uitoefenen. Bij Leo Smit bleven de niet-joodse leerlingen geleidelijk weg. In december 1942 werden zijn vrouw Lientje en hij gedwongen te verhuizen van hun huis in de Eendrachtstraat naar de Transvaalbuurt. Ondanks de moeilijke situatie bleef hij componeren; zijn laatste compositie is de schitterende Sonate voor fluit en piano, die hij in februari 1943 voltooide.

Begin april 1943 werden Leo Smit en zijn vrouw via de Hollandse Schouwburg op transport gesteld naar doorgangskamp Westerbork. Eind april werden zij afgevoerd naar het vernietigingskamp Sobibor, waar zij direct na aankomst werden vermoord.

Eleonore Pameijer

Dick Kattenburg Altviool en Piano

In 1944 gecomponeerd
Dick Kattenburg kwam in Amsterdam ter wereld, maar verhuisde op jonge leeftijd met zijn familie naar Naarden. Zijn vader was textielfabrikant en directeur van Hollandia-Kattenburg, een voor Amsterdammers bekend gebouw aan de overkant van het IJ. Dick en zijn broer Tom kregen vanaf jonge leeftijd een gedegen muzikale opleiding. Tom werd concertpianist, Dick studeerde muziektheorie en viool in Antwerpen en volgde in Den Haag dezelfde vakken. Hij had les van o.a. Willem Pijper. Kort na zijn staatsexamen, in 1941, werd Kattenburg wegens zijn joodse afkomst gedwongen onder te duiken. Hij kon terecht bij een vriendin in Utrecht, Ytia Walburg Schmidt. Deze schuilplaats werd echter verraden, en in de jaren die volgden zwierf Kattenburg langs een aantal andere adressen. Volgens een naoorlogs bericht van het Rode Kruis was Uiterwaardenstraat 387 in Amsterdam daarvan het laatste. Kattenburg gebruikte de schuilnamen "Van Assendelft van Wijck" en "K. van Drunen". Op 5 mei 1944 werd Kattenburg opgepakt, waarschijnlijk tijdens een razzia in een bioscoop. In Westerbork zag hij nog kans een briefje naar zijn oom en tante in Amsterdam te sturen. Kort daarna, op 19 mei 1944, werd hij naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij tussen 22 mei en 30 september werd vermoord, amper vijfentwintig jaar oud.